De cultuurfilosoof (Ad Verbrugge)

“Wat is de Matrix?” vraagt Ad Verbrugge zich af.

Ad Verbrugge is filosoof en hij houdt van films. Vooral van films die zo’n krachtige metafoor voor de werkelijkheid zijn als The Matrix.

In de film legt Morpheus het uit. “De Matrix is een systeem, Neo”, zegt hij terwijl er een ernstige rimpel boven zijn zonnebril uitkomt. “Het systeem is onze vijand. Maar als je erin zit, en rondkijkt, wat zie je dan? Zakenlui, leraren, advocaten, timmermannen. De meeste van deze mensen zijn nog niet klaar om de stekker eruit te trekken. En velen van hen zijn zo geconditioneerd, zo hopeloos afhankelijk van het systeem, dat ze zullen vechten om het te verdedigen.”

De Matrix is de naam voor een schijnwereld waarin mensen denken vrij te zijn. In werkelijkheid worden ze echter leeggeslurpt door machines om het systeem van energie te voorzien. Ze zitten gevangen, maar dat hebben ze niet door.

De Matrix lijkt op de westerse wereld waarin we leven, vindt de Leidse filosoof Ad Verbrugge. “De Matrix is de naam voor het complexe besturingssysteem waarop de mens zijn gehele leven is aangesloten. Dit systeem produceert in de mens een virtuele wereld waarin hij zich volledig vrij waant, terwijl hij in werkelijkheid gevangen wordt gehouden in een kunstmatige baarmoeder [oftewel: matrix] die voortdurend energie aan hem onttrekt om daarmee de machines te voeden. De mens wordt op die manier geëxploiteerd door de Matrix; hij is een soort batterij geworden waarop de machines draaien.”[1]

En omdat de mens van binnen leeg is, is geld het enige objectieve criterium dat nog over is om waarde aan af te meten.

Zoals Herman Daly ons wijst op het onderliggende ecosysteem, dat economische activiteit mogelijk maakt, analyseert Verbrugge ons culturele en morele ecosysteem dat ten grondslag ligt aan de manier waarop onze economie is opgebouwd. Onze economie is niet in crisis, vindt hij, maar onze cultuur.

We besluiten bij Verbrugge langs te gaan en en nemen de trein naar Leiden. “Dat verrukkelijke plekje op deze dorre aarde”, vond Albert Einstein van de stad. Dat was in 1920, toen hij werd benoemd als buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Leiden. De benoeming van Einstein loopt trouwens bijna uit op een politieke rel. Einstein zou in Brussel de revolutie gepreekt hebben en samenwonen met een rode gravin, aldus het ministerie van Onderwijs. Als de minister bij de universiteit navraag doet, blijkt hij Albert Einstein te verwarren met Carl Einstein. „Einstein doet niet in gravinnen, maar hij leeft samen met een jodinnetje”, is de reactie uit Leiden.

Genoeg over Einstein.

Ad Verbrugge (1967) is filosoof aan de Vrije Universiteit in Amsterdam (hoofddocent sociale en culturele filosofie), daarnaast is hij singersongwriter.

In 2004 kwam Verbrugges boek Tijd van Onbehagen uit, waarin hij aan de hand van fenomenen als zinloos geweld en de vorming van Europa de geest van deze tijd analyseerde. Een geest die zich in de ogen van Verbrugge kenmerkt door het ontbreken van gemeenschapszin en een gebrek aan bezieling. „We zijn de koers kwijtgeraakt,” zei hij, en: “we hebben geen oriëntatiepunt meer.” Het boek sloeg in als een bom en de filosoof werd door zijn optreden in Tegenlicht en bij Zomergasten in 2006 nog populair ook.

Allemaal interessant, maar daarmee weten we nog niet of hij als filosoof iets zinnigs te zeggen heeft over financiële markten. Het toeval wil echter dat Verbrugge dit onderwerp de laatste jaren uitgebreid heeft onderzocht en hij binnen afzienbare termijn uitkomt met een boek over cultuur en economie. “Ik wil mijn visie wel eens in het kort op papier hebben, ik kan wel een interview gebruiken.”

Komt dat even mooi uit. In ruil daarvoor krijgen we vier uur lang privé-college in zijn werkkamer.

De economie lijkt wel een enorme machine waar een radertje van is gesprongen. Hoe krijgen we het dat nu weer op de rails?

“Ik zie dat toch iets anders. Ik beschouw het economische systeem niet als een grote machine die zichzelf draaiende houdt, en ik zie evenmin een vastgelopen radertje. Ik ben gericht op het organische geheel waarin het economisch leven thuishoort – onze levenshouding en de wereld waarin die vorm krijgt, en dan zie ik dat er met dat geheel iets mis is. Er is sprake van een cultuur op drift. Er is ook geen simpele maatregel om dit probleem even op te oplossen.”

U bedoelt, we moeten alles lijdzaam over ons heen laten komen?

“We zullen hoe dan ook ‘lijden’ onder datgene wat we verkeerd hebben gedaan. Vergelijk het met een man die hartklachten heeft door een jarenlange ongezonde levensstijl. Dat lost hij niet op door ineens heel hard te gaan trimmen.

U bent er van overtuigd dat we op de blaren moeten zitten. Toch is er wereldwijd vertrouwen dat de economie zich weer zal herstellen.

“Men gaat er van uit dat het systeem intact blijft en dat we met extra overheidsuitgaven de zaak vlot kunnen trekken. Maar we hebben al veel te lang op de pof geleefd, oftewel op ‘geleende tijd’. Er is tot dusver niets echt opgelost, met de staatsinterventies van 2008 en 2009 is het probleem slechts uitgesteld en verplaatst, we hebben nu als staatsgemeenschap schulden gemaakt om de ineenstorting van het systeem te voorkomen. In de vorm van staatsschuld betreffen de schade en het toekomstige risico nu direct iedereen – inclusief toekomstige generaties. Er is geen andere optie dan vroeg of laat ons verlies te nemen. Men zegt nu dat voor een werkelijk herstel de consument weer flink moet gaan uitgeven, oftewel dat hij weer datgene gaat doen wat de crisis heef veroorzaakt. We moeten juist kijken naar de andere kant, onze waardecreatie. In Amerika bijvoorbeeld, is – in een notendop – het probleem dat er decennialang te weinig is geproduceerd en te veel geconsumeerd. Er is een enorme schuld opgebouwd, zowel door de staat als de burgers. Alleen al het totaal aan creditcardschuld overschrijdt ruimschoots ons bruto nationaal product, eind 2008 was het 972 miljard.” 

Schulden hebben anders wel goed gewerkt. Het prikkelt een samenleving om rendement te maken, waardoor we een enorme voorspoed hebben gezien!

“Ja, natuurlijk. Onze welvaart is de afgelopen eeuw enorm gegroeid. Dat was vooral zichtbaar aan het einde van de jaren negentig. We vierden en masse de grenzeloze groei, de overwinning van de globalisering en de victorie van het kapitalisme. En op het eerste gezicht leek die onbetwistbaar – ook in Nederland: ons nationale vermogen was enorm gegroeid, de werkloosheid sterk gedaald en echte armoede kwam nauwelijks meer voor.”

Maar…

“Ons systeem is wezenlijk onduurzaam. Het heeft continu groei nodig, omdat we rendement eisen op onze investeringen die zelf tegen rente worden gefinancierd. Het is dynamisch en gericht op expansie, maar dat kan alleen maar zolang er steeds nieuw kapitaal in wordt gepompt.”

En dat loopt vast?

“Ja, wel op de manier zoals het nu werkt. Daarvoor wil ik een paar lijnen uitleggen. Ten eerste de veranderde rol van geld, ten tweede de aard van de welvaartsgroei. Daarna maak ik een uitstapje naar het veranderde mensbeeld en tenslotte naar de introductie van virtuele ruimte. Zonder die ontwikkelingen kunnen we de financiële ontwikkelingen niet goed duiden. Ik wil beginnen bij de kritiek van Marx op het kapitalisme. Maar eerst moet ik nog even naar het toilet, want het wordt een flinke zit.”

De filosoof moet nog even op gang komen. Dat vinden wij niet erg. Het past wel een beetje bij een echte denker. Bovendien kunnen we dan even rondneuzen in dit gezellige huis uit de 17e eeuw, compleet met krakende trap en houten vloer. Beneden, waar hij zijn gasten ontvangt, is het lekker rommelig. Geen opsmuk, posters of plantenbakken, maar gewoon een houten tafel en een boekenkast. En een doosje met muizenvallen en stapels post.

De eerste lijn: de rol van geld

“Zo, nu ben ik er helemaal klaar voor. Ik was bij Marx. Ik ben geen marxist, maar ik heb er de laatste jaren wel over gedoceerd. Er zit zonder meer een kern van waarheid in zijn analyse. Hij ziet dat de rol van geld in de loop der tijd is veranderd. Van oorsprong was het een ruilmiddel: W – G – W, in de formule van Marx. Waar (W) wordt omgezet in geld (G), en daarmee koop je weer waar (W).”

Een boer brengt zijn schapen naar de markt, krijgt er geld voor, en ruilt dat vervolgens weer in voor een zak aardappelen voor het avondeten.

“Zo ging volgens Marx in een traditionele landelijke samenleving. Het kapitalisme heeft deze vergelijking omgedraaid. Voor de kapitalist verandert de vergelijking namelijk in G – W – G’. Met geld koopt hij waar om daarmee meer geld te kunnen verkrijgen. De waren  – en dus ook de arbeid die waren produceert – worden nu een middel om meer geld te genereren.”

Dat is toch een kip-of-eikwestie?

“Nee, onze verhouding tot de werkelijkheid wordt daarmee anders, omdat geld nu het begin en einde vormt van het economisch verkeer en slechts nog verwijst naar haar eigen groei als het ultieme doel. We zien dat die rol van geld zich vervolgens in de geschiedenis verder ontwikkelt. In het kapitalisme wordt geld uitgeleend om het met rente terug te krijgen, waarbij de geldschieters, de banken en de beurs centrale economische machten worden. Het uitlenen van geld vindt in eerste instantie plaats als voorschot op een toekomstige waardecreatie. Het typische voorbeeld daaraan is de hypotheek. De bank verstrekt iemand een hypotheek, omdat zij ervan uitgaat dat de persoon in kwestie met zijn opleiding en baan waarde weet te creëren om de rente te betalen en de hypotheek af te lossen. Dankzij zijn vaardigheid bezit hij een ‘vermogen’ binnen de burgerlijke maatschappij, dat is letterlijk zijn ‘kracht’, om binnen dit systeem in de toekomst waarde te vermeerderen. Hij bezit economische slagkracht. De volgende stap is de bedrijfslening. Ook nog primair gebaseerd op de waarde die het bedrijf kan creëren om de schuld af te lossen.”

Tot zover niets schokkends.

“Maar dan een andere vorm: het aandeel. Met een aandeel participeer je in een bedrijf. Er voltrekt zich in deze vorm van financiële relaties in het gebruik van geld uitdrukkelijk een ‘werking op afstand’. Dat is op zichzelf misschien niet zo revolutionair, want het principe lijkt in wezen hetzelfde: je investeert met het aandeel in een bedrijf waarvan je denkt dat het economische waarde schept. Het grote verschil ontstaat echter zodra dit aandeel zelf verhandeld gaat worden; wat door de genoemde afstand mogelijk wordt gemaakt. Er ontstaat dan een markt voor aandelen, met een fundamenteel nieuw kenmerk: deze markt wordt zelfreferentieel.”

Zelfreferentieel…

“De markt gaat naar zichzelf verwijzen. De vraag en het aanbod op de markt bepalen de prijs en daarop kun je speculeren. Deze zelfreferentiële dynamiek van de markt hebben we al vroeg in de geschiedenis van het kapitalisme gezien; de Nederlandse tulpenbollencrisis is er een mooi voorbeeld van. Welnu, zoals gezegd verwijst de hypotheek nog naar een reële productiecapaciteit, zoals ‘leraar zijn’ of ‘boer zijn’. Daarentegen hoeft het motief om een aandeel te kopen van een bedrijf niet de betrokkenheid bij het bedrijf te zijn, het kan ook gericht zijn op de stijging van het aandeel als zodanig. De markt is dus gebaseerd op de beweging en dynamiek van de markt zelf. Dat is radicaal anders.”

En dan is een aandeel nog eigenlijk heel ouderwets.

“Die dynamiek van zelfreferentiële vermarkting wordt vergroot door de opkomst van opties. Op zich is de optie een interessant instrument om je tegen marktrisico’s in te dekken: een boer verkoopt van tevoren zijn graan tegen een vastgestelde prijs, om zeker te zijn van een bepaalde opbrengst. De handelaar neemt daarmee een risico, maar maakt extra winst als de prijs is gestegen. Maar nu komen er opties op aandelen. Dit soort financiële producten heten derivaten. Het zijn afgeleide producten, die niet meer gebaseerd zijn op waardecreatie. Waardecreatie wordt secundair, de verhouding raakt omgedraaid en de winst uit de beweging van de markt wordt het doel.”

Het gaat niet om het verkrijgen van W, maar om het verkrijgen van G.

“We zien de laatste decennia dat alles wordt gekapitaliseerd, oftewel wordt omgezet in geld dat moet renderen. Dat gaat de hele samenleving doordringen. ‘Ik heb een eigen huis – da’s zonde! Huizen zijn namelijk in waarde gestegen, ik moet dus een (extra) hypotheek nemen op de overwaarde, en met dat geld laat ik weer beleggen!’ Zo is er mede door deze kapitalisering van de werkelijkheid een enorme toename van geld opgetreden – en tegelijkertijd van schuld!”

En al dat geld moet renderen. Alles moet worden terugbetaald met rente.

“Het heeft ook ongelofelijk gerendeerd. Maar het was wel in hoge mate een zelfreferentiëel rendement. Door de kapitalisatie van alles en iedereen steeg de vraag naar ‘geldwaarde-productie’ en nam ook de hoeveelheid kapitaal toe. Omdat de waardecreatie niet gelijkelijk toenam, was dit in wezen een verborgen inflatoire beweging van het geld; daarom kon het ook zo gemakkelijk verdampen. De jaren negentig waren dan ook de jaren van het volkskapitalisme. Iedereen ging meedoen met beleggen, en daardoor steeg de vraag, dus het werkte ook. Dat kon een hele tijd worden volgehouden, door steeds verder gaande kapitalisering en door financiële producten. In de periode 1998/2008 alleen al verdubbelde M3 en daarmee steeg de prijs van bijvoorbeeld vele aandelen en grondstoffen. Maar nu loopt het ten einde.”

Wat Ad Verbrugge zegt, is voor insiders niets nieuws. Een medewerker van Standard & Poor’s, een grote kredietbeoordelaar, merkte eens op: “Laten we hopen dat we rijk zijn en met pensioen voordat dit kaartenhuis instort.” De bestuursvoorzitter van de bank Citigroup zei een paar weken voor het uitbreken van de crisis: “Zolang de muziek speelt, moet je dansen. Als de muziek stopt, wordt het lastig. Nu zijn we nog aan het dansen.”[2]

De tweede lijn: de aard van de groei

Je kunt het een piramidespel noemen, maar als iedereen er in blijft vertrouwen, is het toch een prachtige prikkel? Het is een voortdurende impuls om te renderen. Je moet altijd meer terugbetalen, dus je zorgt er wel voor dat je groeit. Dat is toch een perfect systeem?

“Het heeft geleid tot een enorme groei, dat staat buiten kijf. Maar wat is die aard van die groei en welke vorm heeft zij aangenomen? Dat vind ik interessant. Mijn these is dat een groot deel van de afgelopen groei een schijngroei is geweest die een zelfreferentieel karakter had waarin we in wezen schulden aan het maken waren. En dat we bovendien voor een groot deel van de groei afhankelijk zijn geweest van technologische innovatie en goedkope producten uit Azië.”

Schijngroei? We hebben toch een uitzonderlijke stijging van de levensstandaard gezien?

“De geldhoeveelheid is enorm toegenomen, maar de onderliggende waarde en waardecreatie is veel minder toegenomen. Groei en verbetering van de levenstandaard zijn overigens niet hetzelfde en wat dat laatste betreft: het is maar hoe je het bekijkt.”

Kom op, iedereen heeft een magnetron, een iPod, een telefoon, een vaatwasser. We gaan drie keer per jaar op vakantie en we kunnen alles kopen wat we willen!

“Ik noem het niettemin in hoge mate schijngroei, zeker wanneer we het hebben over levensstandaard in ons land. Mijn vader bezat begin jaren zeventig een eigen huis met tuin, een auto, een tv, we aten iedere dag vlees, mijn ouders hadden drie kinderen en we gingen elk jaar op vakantie. Hij was alleenverdiener in loondienst bij een middenstander, en had een middelbare beroepsopleiding. Probeer dat nu maar eens voor elkaar te krijgen! Voor vergelijkbare consumptiepatronen moet je anderhalf keer zo veel werken, tweeverdieners, met véél meer stress.”

Een huis kostte ook bijna niks. Geen kunst om dan een woning te bezitten.

“Dat is precies mijn punt. Mijn vader kocht het voor 19.000 gulden. Maar door het proces van kapitalisatie is alles veel duurder geworden en worden er meer schulden gemaakt; dit huis was eind jaren zeventig al 75.000 gulden waard – wat er sinds de jaren negentig met de huizenprijzen is gebeurd weet iedereen. Vrouwen kregen meer te besteden, daardoor gingen de prijzen omhoog. Verder werd de rente laag gehouden zodat iedereen kon lenen, en werden er ingenieuze hypotheekconstructies bedacht, maar ook dat dreef de prijzen op. Op een goed moment was aflossen voor veel mensen niet eens meer haalbaar.”

We hebben toch alles wat we willen, we zijn toch stinkend rijk? Vroeger moesten we anderhalf jaar sparen voor een walkman. Je krijgt een Wii nu bijna gratis bij een pak cornflakes.

“Onze woningen kunnen we inderdaad volzetten met allerlei producten die we van elders hebben betrokken of die vooral te danken zijn aan technologische innovaties, maar de consumptie van veel goederen uit eigen land, de primaire levensbehoeften van het wonen, de kop koffie of het broodje om de hoek, het rijden in een auto, de vakantie in eigen land – daar moeten we in feite harder voor werken. Alleen de babyboomers, die zijn er als groep economisch hard op vooruit gegaan, omdat zij de vruchten hebben geplukt van de genoemde zelfreferentiële groei. Hun huizen zijn kapitalen waard. De generatie die erna komt, moet het ophoesten. We hebben onze rijkdom geleend van de toekomst, jullie moeten het gaan afbetalen. Kijk goed om je heen, naar een jong gezin met eenverdiener met een middelbare opleiding. Daar is eerder sprake van een economische achteruitgang ten opzichte van het begin van de jaren zeventig!

Technologische innovaties zijn toch ook waardecreatie?

“Zeker – en dat valt ook niet te betwisten, maar tegelijkertijd maken zij aan productiezijde juist goederen goedkoper – en een groot deel van onze consumptiegoederen komt volledig uit Azië! Uit Japan, China, de Aziatische tijgers. Dat is mijn tweede punt. Door technologische innovatie en goedkope arbeid kunnen veel consumptiegoederen heel goedkoop gemaakt worden. Het kost zo rond de 5 euro om een spijkerbroek te maken.”

Waarom kost hij in de winkel dan 75 euro?

“Dat komt door het hele deel van de keten tussen de primaire waardecreatie en de verkoop. De productie kost 5 euro, de rest wordt verdiend in de handel daartussen en met de ‘productie van de consumptie’. Het transport, de distributie, de juridische afhandeling, de belasting, de winkelier en zijn personeel, de reclame-industrie, de architectuur van winkelgoten, de belevingseconomie –  alles wat daarmee te maken heeft, dat moet allemaal worden terugverdiend door de producten die je koopt en het zit allemaal verwerkt in de prijs. Een aanzienlijk deel van onze economie draait momenteel om die ‘secundaire’ of afgeleide productie die afhankelijk is van de productie van de broek voor 5 euro in China. Ook dit is dus een derivaat. Je zou een aanzienlijk deel van onze economie kunnen karakteriseren als derivateneconomie.”

Bij het woord beleving denken we altijd aan een boeiend gesprek dat we eens voerden in de Amsterdamse diamantfabriek met de marketingmanager van Samsung. De beste man toonde ons de kast met nieuwste speeltjes, allemaal telefoons inclusief tv-schermpje, mp3-speler, vrouwenkleurtjes, mannenkleurtjes, toeters, bellen en andere extensies waar belevingssolipsisten helemaal gek van zouden worden.

Waarom hij marketingmanager was geworden? Hij was goed in het “vermarkten van ontastbare proposities”, zei hij trots. “Mensen kopen telefoons vooral voor de beleving.” Gebakken lucht dus, dachten we, maar dat mochten we niet zeggen.

“Het is voor honderd procent echt! Mensen die een Armanitelefoon kopen, geven we echt het fijne gevoel dat ze bij de selecte groep Armanitelefoonbezitters horen.” Wij snapten het nut daar niet zo van. Als mensen zelf die telefoon willen hebben, dan hoef je er ook geen marketingafdeling op te zetten, toch? Overigens hebben wij het liefst een telefoon die gewoon kan bellen.

“Aha, maar dat is ook beleving!”, wierp hij tegen. “Jullie willen graag de beleving van een sobere telefoon. Dat is ook een groep!”

Vreemde kerel.

Volgens u wordt er in onze derivateneconomie te weinig waarde gecreëerd.

“Wie creëert er in onze economie basiswaarde en wie een afgeleide daarvan? Neem onze ‘overhead’ van juristen, politie, bankiers, accountants, consultants, scholing enzovoorts, maar ook infrastructurele activiteiten als handel en transport of marketing en reclame: daar wordt nauwelijks basiswaarde gecreëerd, maar wel een afgeleide waarde die van grote invloed is op de prijs. In die zin kun je zeggen dat heel wat mensen mee-eten van die 75 euro die de broek uiteindelijk oplevert –  van de jurist, de vervoerder en de winkelier tot en met de jongen die de folders verspreidt. En dat is het zorgwekkende van de crisis. Als bedrijven moeten bezuinigen, gaan ze als eerste bezuinigen op de derivate schil. Nog wel reclame, maar slechts de helft of goedkoper. Dat zelfde geldt voor de consument: Je wil uiteindelijk gewoon brood op de plank of die spijkerbroek om je billen. De economie zal daardoor ‘veraldiseren’; dit is overigens een proces dat jaren kan duren.

Eén grote Aldi, ontdaan van alle opsmuk.

“Als je economie voor een aanzienlijk deel bestaat uit derivate activiteiten waarin geen basiswaarde wordt geproduceerd, ontstaan daar bij uitstek de problemen. Daarom is nu alles ook begonnen als een derivatencrisis – letterlijk! Volgens sommige deskundigen zal uiteindelijk 70 procent van de financiële sector op straat komen te staan. Hetzelfde vliegwiel dat de virtuele groei aanjoeg, zal nu de krimp aanjagen. We hadden het net over de spijkerbroek, maar ga maar eens een simpel broodje eten op de Zuidas, het zakendistrict in Amsterdam. Dat kost gemakkelijk drie tot vier euro, luxer wordt het al snel zes euro. Een broodje kost nog geen halve euro, maar door alles eromheen betaal je minstens twee euro te veel, om over de koffie nog maar te zwijgen.[3] Als bedrijven bezuinigen, zullen ze minder uitgeven aan reclame, minder aan broodjes en koffie en hotels, minder bedrijfsfeestjes geven, feestbandjes kunnen niet meer spelen enzovoorts. De consument gaat ook meer naar de prijs kijken en hoeft de opsmuk niet meer, ook niet die in zijn eigen leven, hij gaat ‘prioriteiten’ stellen en gaat eveneens terug naar de basis; hij besteedt minder in de horeca, gaat een keer minder op vakantie, gaat een keer niet de keuken of badkamer verbouwen enzovoorts, enzovoorts. De toeristische industrie is overigens de grootste productietak ter wereld. Ook daar zullen harde klappen vallen. Dat wordt vooralsnog in onvoldoende mate onderkend en we nemen dus ook de maatregelen die er vooral op gericht zijn het systeem in stand te houden. We moeten evenwel terug naar de waardecreatie; mede vanuit ecologisch perspectief betekent dit dat we juist nu aan productiezijde duurzame waarde moeten creëren.”

Alleen maar omdat een paar mensen veel geld wilden verdienen met aandelen…

“Was het maar zo simpel! Doordat de vastgoedprijzen en de aandelenprijzen omhoog gingen, konden alle pensioenpremies omlaag en zijn er miljarden in de consumptiesector terecht gekomen. Iedereen heeft er aan meegedaan en velen hebben er voordeel bij gehad. Natuurlijk, sommige mensen zijn meer en minder verantwoordelijk. Ik zie dit wel als het falen van de elite, van politiek en bankiers bijvoorbeeld. Maar we hebben met elkaar een klimaat geschapen waar zij een exponent van zijn. En dat klimaat is de volgende lijn die van groot belang is voor het begrijpen van de crisis.”

De derde lijn: het veranderde mensbeeld

Om het voorgaande samen te vatten: geld weerspiegelde vroeger dus een ruilwaarde, maar in het klassieke kapitalisme werd dat marktwaarde. En nu dan?

“Nu weerspiegelt het in hoge mate populariteitswaarde.”

Dat wil zeggen, de waarde is niet gebaseerd op iets reëels, maar alleen op de waarde die de markt het toekent. Dan hebben we ons flink in de luren laten leggen door de producenten. Of is ons consumentisme er juist de oorzaak van?

“Beide processen zijn belangrijk en hebben elkaar kunnen versterken in een klimaat dat we met elkaar hebben geschapen. In Tijd van onbehagen noem ik dat de sfeer van belevingssolipsisme.”

Aha.

“Solipsisme betekent dat de mens als subject bepalend wordt voor hoe hij de wereld ziet. De mens als subject, dat wil zeggen, de subjectieve opvatting van de mens, wordt zijn leidende principe. Belevingssolipsisme wil dus zeggen dat de persoonlijke beleving van de mens – zijn gevoel, mening en zin –   de maatstaf wordt waarmee hij de wereld ziet.”

Het gevoel van de mens is het middelpunt van het heelal geworden.

“Precies. En dat is zijn huidige vorm een heel nieuw, westers fenomeen. Traditioneel is de maat der dingen de religie, of andere groepswaarden. In de loop van de negentiende, twintigste eeuw is dit volledig uitgehold door de voortgaande liberalisering die uiteindelijk uitmondde in de bevrijding van het individu. Ook bij maatschappijkritische bewegingen, fascinerend genoeg. Die brengen uiteindelijk, bewust of onbewust, precies dezelfde liberale positie voort. Ook bij GroenLinks is het haast niet meer een hogere moraal of een groepswaarde die leidend is, maar in hoge mate het gevoel van het individu. ‘Is het leuk of niet.’ Let wel: ik zeg niet dat solipsisme betekent dat andere mensen er niet meer toe doen, maar dan wel zo dat je eigen gevoel centraal staat. Dat bepaalt ook de verhouding tot anderen – je vind het misschien leuk om ze te provoceren of ze moeten jou juist leuk vinden, omdat je onzeker bent over jezelf.”

Bij deze laatste opmerkingen van onze filosoof moeten wij denken aan Facebook, dat een tijdje geleden de ‘vind-ik-leuk’ knop introduceerde. Bij elke foto, video, blog of status-update kun je een ‘vind-ik-leuk’ uitdelen. Om deze reden vindt Nicky Wire, een van de Manic Street Preachers, het hele internet een van de grootste illusies ooit. “Internet geeft mensen het idee dat ze het allemaal snappen, dat ze populair zijn, een hele hoop vrienden hebben en deel uit maken van een gemeenschap. En dat er naar ze geluisterd wordt, dat ze een stem hebben. Ze realiseren zich niet dat ze, net als de rest, compleet gefucked en machteloos zijn. Dat was voor ons als band altijd het uitgangspunt: ‘Jij gefucked, ik gefucked.’ Het is enorm misleidend, en het kan er voor zorgen dat je een compleet verkeerd beeld van jezelf krijgt. Het is allemaal op jezelf gericht.”[4]

Al ijsberend en zittend op de leuning van zijn stoel probeert Verbrugge met gesloten ogen samen te vatten wat hij daarvan denkt. Het Westerse consumentisme dreigt bij veel mensen uit te lopen op een belevingssolipsisme, zegt hij, waarin iedereen alles en dus ook elkaar en zichzelf gebruikt en misbruikt naar zijn ‘eigen zin’ en niemand nog wezenlijk op de ander betrokken is. Dat is het culturele klimaat waarin ook de genoemde derivateneconomie zo’n vlucht heeft kunnen nemen.

De derivateneconomie blijft draaien zolang mensen er steeds meer aan willen uitgeven. Vreemd dat die zeepbel nooit eerder uit elkaar is gespat.

“Dat deed hij in feite al 2001, toen was er een serieuze beurscrash. De hele interneteconomie bleek niet te brengen wat ze had verwacht en vele zwaar overgewaardeerde bedrijven gingen failliet. Maar toen begon er een nieuwe ontwikkeling: de banken zijn zelf verder gegaan met het spel in de virtuele ruimte van het zelfreferentiële geld. De FED en de ECB hielden de rente kunstmatig laag, drukten de goudprijs en de banken ontwikkelden een eindeloze stroom van nieuwe financiële producten. Als de banken niet de financiële trucs hadden uitgehaald van de laatste vijf jaar, was de dotcomcrisis al eerder uitgemond in een recessie. Uiteindelijk heeft die lage rente en de plicht die banken werd opgelegd ook mensen met lage inkomens in staat te stellen een huis te kopen met name in de VS miljoenen mensen verleid om hypotheken af te sluiten die ze nooit konden afbetalen en om grote creditcardschulden op zich te nemen. De financiële crisis was het gevolg van deze ‘uitstel van betaling’ die volgde op de dotcomcrisis. De recessie die op de kredietcrisis had moeten volgen is door duizenden miljarden staatssteun uitgesteld. De ‘staatssteunbubble’ waarin zij daar over enkele jaren zal uitmonden, zal leiden tot een herschikking van de internationale machtsverhoudingen. Maar om te begrijpen wat er is gebeurd, moeten we iets weten over de Kondratieffcyclus en de econoom Schumpeter.”

Dat was een Russische econoom die berekende dat het kapitalisme steeds terugkerende periodes van bloei en neergang kent, over een periode van vijftig jaar.[5]

“Ja. Schumpeter heeft voor deze golfbeweging een belangrijke oorzaak aangegeven. Volgens hem zorgde de introductie van nieuwe technologie telkens voor een nieuwe investeringsgolf, waarna op een gegeven moment de markt verzadigd was. Die technologie heeft steeds te maken met een fundamentele transformatie van onze tijd en ruimte, bijvoorbeeld de aanleg van spoorwegen halverwege de 19e eeuw, die enorme investeringen naar zich toe trok. Maar na een tijdje zakte het rendement en volgde een periode van teruggang. De nieuwe infrastructuur leidde echter telkens weer tot een spin-off die weer voor een nieuwe opleving zorgde.”

De stationsrestauratie met de dure broodjes. De fabrieken die langs spoorlijnen werden gevestigd.

“Inderdaad. De introductie van elektriciteit leidde weer tot de volgende boom. In de ‘roaring twenties’ werden de ‘spinoffs’ daarvan toegankelijk voor de massa, zoals telefoon, telegraaf, radio, enzovoorts. Het elan in de maatschappij was vergelijkbaar met die in de jaren negentig, waar we de meest recente bloeiperiode hebben gezien: de ICT-boom. De computer en de mobiele telefoon leidden tot grootschalige investeringen in de informatie- en communicatietechnologie. Daardoor ontstond er iets fundamenteel nieuws: virtual reality.”

De vierde lijn: de introductie van virtual reality

Virtuele ruimte, dat is ruimte die niet echt bestaat. Toch?

“Nee. Dat is wat in de meeste definities impliciet of expliciet naar voren komt, maar die lopen mank. Virtual reality is wel degelijk realiteit. Het is een werkelijke ruimte waar iets gebeurt en in die zin ook een werkzame ruimte, die je echt kunt betreden. Dit is heel belangrijk, zowel om het belevingssolipsisme te begrijpen als de financiële producten die de crisis hebben veroorzaakt. Reeds de telefoon opent een ruimte die eerder niet bestond. Als ik jou bel, ontmoeten we elkaar in een nieuwe ruimte; we zijn samen tegelijkertijd ‘hier en daar’ hoorbaar. We hebben zintuiglijk contact op afstand, buiten de grenzen van de lijfwereld. Bij een computer wordt dit principe tot in extremo opgeblazen; door de ‘verbeelding’ en ‘verklanking’ van de werkelijkheid ben ik in beeld en geluid hier en daar tegelijk: Internet dis-localiseert en de-temporaliseert. Als ik nu zin heb kijk ik op youtube het concert van twee jaar geleden in New York. Ik neem afstand van m’n eigen fysieke ruimte en verlaat de lijfwereld, ik ga shoppen in winkels die hier niet zijn en die misschien niet eens bestaan. Dat is bij uitstek de belevingswereld waarin ook het door mij in Tijd van Onbehagen geschetste belevingssolipsisme zich uitleeft. Je kunt je helemaal terugtrekken in een omgeving die georiënteerd is op jouw gevoel en zin. De roes – waarin tijd en ruimte discontinu worden – acht ik kernmerkend voor de postmoderne leefwereld.”

Je wordt eigenlijk geleefd.

“Ja, als je het zo zegt, zie je ook direct de overeenkomst met de Matrix, de film die heel goed vertolkt wat er in onze maatschappij gebeurt. Maar terug naar de economie. Door het kapitaal wordt nu juist dát middel gekozen om in te investeren. En het slaat aan bij de belevingsconsument. In 2001 is echter de computer- en internetmarkt voorlopig verzadigd – althans naar wat op dat moment de investeringsmogelijkheden zijn, waardoor de beurs keldert.”

Maar de investeerders verzinnen iets nieuws.

“Wat er nu gebeurt is ingewikkeld: de ICT is in hoge mate geïmplementeerd in de financiële wereld zelf. Alsof ze spoorwegen in hun eigen kantoor gingen aanleggen. Bankfilialen worden gesloten, alles gaat via de computer verlopen. Er worden nieuwe financiële producten gemaakt binnen deze nieuwe ruimte. Dat zijn producten in virtual reality, waarvan de waarden berekend worden door rekensommen in computers en die worden verkocht en gekocht op het moment dat de computer dat besluit. Het proces wordt mede aangestuurd door machines. Geen mens weet precies meer wat er gebeurt. Door virtuele producten – waarvan het karakter de afstandelijke werking en het contact op afstand is  – segregeert het toch al zelfreferentiële kapitaal zich op een exponentieel versterkte manier. In deze virtuele segregatie fragmenteert het kapitaal in ‘hier en daar’ en ‘nu en nu-niet’ tegelijk, waarbij het in rekeneenheden wordt opgedeeld van risico’s en kansen. In een zelfreferentiële rekenruimte die overal en nergens is wordt de waarde ‘nu’ door een toekomst (niet-nu) bepaald die slechts in de berekening nu bestaat. Dat is leven op een virtueel geleende tijd. Het kapitaal maakt zich voor zichzelf los van de plaats en de tijd waar waarde wordt gecreëerd en krijgt een derivaat karakter, de binding met de lijfelijke werkelijkheid gaat verloren. Door deze ont-aarding ontstaan bijvoorbeeld pakketjes hypotheken en pakketjes schulden van wie niemand meer weet waarheen het verwijst, wie de schuld op gaat brengen en hoe veel ze nu eigenlijk waard zijn. De financiële markt verwijst ten slotte alleen nog naar zichzelf.”

De Amerikaanse superbelegger Warren Buffet noemde deze in stukjes verpakte hypotheekobligaties “financiële massavernietigingswapens”. Hij kreeg gelijk: ze hebben een bom gelegd onder het financiële systeem.

Vanaf eind 2004 explodeert de derivatenhandel, en Nederland hoort bij de koplopers. Er is op een gegeven moment voor 600 biljoen (600.000.000.000) dollar aan derivaten in omloop, tien keer zo veel als het daadwerkelijke bruto mondiaal product. Het hele geldcircuit is nog groter, en virtueel geld vliegt de wereld over.

“Wat weer mogelijk gemaakt is door politici die de financiële wereld hebben gedereguleerd. Alle grenzen zijn verdwenen. Het geld was al losgemaakt van de fysieke waarde, maar is nu ook losgemaakt van landen. Door de ICT is de ruimte gedelocaliseerd.”

De financiële wereld bestaat volledig uit afstandelijk contact, en kapitaal is volledig losgeraakt van alle onderliggende waarde. Dit systeem mag dus niet meer vastlopen?

“Het probleem is dat dit wel heel sterk de fysieke wereld beïnvloedt. Het bepaalt waar wel en niet in wordt geïnvesteerd.”

Journalist Thomas Friedman noemde dit in 1999 al de electronic herd (elektronische kudde): de miljoenen anonieme handelaren in aandelen, obligaties en valuta, die vanachter hun computerschermen over de hele planeet hun geld met een muisklik rondsturen van beleggingsfondsen via pensioenfondsen naar opkomende marktenfondsen, of vanuit hun kelder op internet handelen. En het bestaat uit de grote multinationals die hun fabrieken over de wereld verspreiden, continu zoekend naar de meest efficiënte en goedkoopste producent.

De kudde behandelt landen hetzelfde als bedrijven, aandelen en obligaties: als ze denken dat ze geld aan je kunnen verdienen, investeren ze, en anders trekken ze hun geld terug en je economie stort in.

De kredietbeoordelaars zijn de “bloedhonden” van de kudde, zegt Friedman. Een negatief oordeel van hen kan je land of je bedrijf in het verderf storten.[6]

Nu zijn de banken zelf in de problemen gekomen. Veel schuld blijkt niet te zijn gedekt. Daarom gaan staten als een gek geld bijdrukken en staatsobligaties uitschrijven om maar zo veel mogelijk roulatie in het systeem te houden.

“Klopt, en daaruit kunnen we één conclusie trekken: de echte crisis is nog niet begonnen. We werken nu toe naar een staatsbubble. Het collectief leent nu aan de staat, totdat de staat zijn schulden niet meer op tijd kan terugbetalen, geen leningen meer krijgt of zelfs failliet gaat. Dat is voor enkele staten onvermijdelijk.”

En wat gaat dat betekenen?

“Je zult zien dat de roep om de zorg voor de plaats weer zal toenemen. Dat zie je nu al. Het systeem is ontaard, en heeft nu weer aarding nodig. Maar we zullen ook moeten gaan luisteren naar de Chinezen, die onze staatsobligaties hebben gekocht. Hoe dan ook: er zal een fundamentele herschikking plaatsvinden, waarin macht en waarde niet langer in het abstracte geld liggen, maar waarin opnieuw politieke slagkracht en culturele productiecapiciteit de doorslag geven. We zullen daarbij niet op hetzelfde luxeniveau blijven leven. We moeten ons verlies nemen. We moeten accepteren dat onze levensstandaard naar beneden zal gaan. Er gaan veel mensen met grote schulden komen.”

Gaat dat geleidelijk, of komt er een klap?

“Het is allebei mogelijk, maar ik denk dat we binnen vijf jaar een heel harde val zullen meemaken. En dat heeft diepgaande politiek-culturele gevolgen. Bij eerdere Kondratieff-cycli zagen we steeds meer vrijheid: meer burgerrechten in de periode na 1800, een parlementaire staat in de periode na 1850, kiesrecht in de periode na 1900 en meer individuele vrijheid in de periode na 1950. Maar de Antieken wisten al dat vrijheid nooit op zichzelf komt en altijd vergezeld gaat van een nieuwe macht. Dat is ook gebeurd in de tweede helft van de 20e eeuw. Maar die macht komt nu op losse schroeven te staan.”

Hoe bedoelt u dat concreet? Welke macht staat nu op losse schroeven?

“In de jaren vijftig en zestig werd alles gedeconstrueerd en overal werden machtssystemen ontrafeld. Maar als je zo analyseert, ga je ook zo denken. Je gaat verhoudingen formaliseren in termen van functies en macht. De samenleving is daardoor veel rationeler geworden. Een democratische eensgezindheid was onmogelijk, dus beslissingen werden steeds meer objectief gemaakt, op basis van het principe van efficiency en concurrentie – dat voltrok zich vanaf de jaren tachtig. We wilden zo veel mogelijk vrijheid voor het solipsistische individu, maar dan is het onvermijdelijk dat je een technocratische politiek krijgt, die vooral regels gaat stellen voor de markt waarop alle individuen met elkaar concurreren. Dit kaartenhuis is genadeloos ingezakt. En nu kan onze vrijheid in die termen niet meer nog groter worden. We zullen weer moeten lokaliseren.”

We gaan weer nationaal denken?

“Inderdaad, maar dan wel binnen de nieuw mondiale orde. We wijzen allemaal naar Wouter Bos als onze Icesave-spaarcentjes in gevaar dreigen te komen. Ik zeg niet dat het kapitalisme voorbij zal zijn, maar wel dat we plaats en grenzen weer belangrijk gaan vinden. Nu gaat ons geld naar projecten in Spanje en Roemenië waar wij niets mee hebben en waar we (politiek) geen enkele zeggenschap over hebben. Dat zullen we uiteindelijk niet pikken.”

Heeft de staat dan nog wat te zeggen in de wereld van het grenzeloos geworden kapitaal? De meeste economen en politici zeggen dat de financiële problemen internationaal beleid nodig hebben. Maar u gelooft in de terugkeer van de natiestaat?

We staan nog maar aan het begin van de grote crisis. Maar let op mijn woorden: er zullen grote middelpuntzoekende krachten loskomen. Het gaat om een nieuwe verhouding tussen globalisering en localisering.”

Autoritaire leiders?

“Dat is een optie, maar dat is niet het enige wat ik bedoel. Ik bedoel ook dat de euro het misschien niet redt, omdat het een munt is zonder duidelijk politiek centrum. De rentedrukverschillen binnen de EU zijn zo groot, vooral als nu de Centrale Bank geld gaat bijdrukken. Italië heeft in het verleden alle crises opgelost door de munteenheid te devalueren, maar kan dit nu niet meer. Maar ook banken zullen weer terug moeten naar hun kerntaken. Dan zal weer pijnlijk duidelijk worden wat het echte vraagstuk was.”

En dat is?

“Hoe creëer je waarde. Hoe investeer je in ondernemers die werkelijk waarde creëren en zorg dragen voor een gemeenschap.”

Waardecreatie als doel van de economie. Hoe moet dat?

“Ik hoop dat we een aantal van die waardecreërende krachten kunnen bundelen. Let wel, we zijn natuurlijk een kenniseconomie. Het gaat rap achteruit, maar we hebben natuurlijk flink geïnvesteerd in kennis. Ik hoop dat bepaalde ondernemers weer gaan samenwerken met het onderwijs, dat er nieuwe innovaties en infrastructurele projecten op touw worden gezet en dat de overheid dat steunt. Daarom ben ik met een bank aan het meedenken om dat te doen.”

Pardon?

“Ja, echt. Ik was eerst zelf ook een beetje sceptisch. Ik zit in de Raad voor de Ethiek van Cyrte Investments. Maar we praten echt met de directie over dit vraagstuk. Ik vind het een heel belangrijke vraag: hoe kunnen we echte innovatie stimuleren en waarde gaan creëren in Nederland.”

Wat kunnen wij nu zelf? Hoe moeten we waarde creëren in ons eigen leven?

“Zorg dat je weer woekert met je talenten. Ga iets scheppen. Je hebt altijd de keus: ga je een boek lezen, of tv kijken – ga je je fantasie cultiveren of niet. Ga je gamen of sporten. Ga je downloaden of zelf muziek leren maken. Dat is ook waardecreatie. Maar ga allereerst het fysieke bestaan weer herwaarderen. Stel in plaats van het afstandelijk contact de zorg weer centraal, de zorg voor wat je bestaan mogelijk maakt. Zorg voor je kinderen. Zorg voor een goede school. Verbind je met organisaties. Versterk groepsbindingen. Krijg kinderen.”

Krijg wat?

“Kinderen. Ja, wat is daar mis mee? Dat hebben we altijd zo gedaan, mede om ons bestaan veilig te stellen. En zorg dat de verbanden intact blijven: de natuur, de sociale omgeving. De staat zal daar op termijn  minder geld voor hebben.”

We moeten weer voor de gemeenschap gaan zorgen. Hoe doen we dat?

“Dat is niet gemakkelijk. In Tijd van Onbehagen zeg ik: ‘De vraag is of we wel weten wat voor andere levenswijze we zouden moeten nastreven en of we daartoe wel de kracht hebben. Om te beginnen zouden we misschien de wijsheid van onze traditie weer eens serieus moeten nemen, zonder dat dit overigens betekent dat we terug zouden moeten willen naar een idyllisch ‘vroeger’. Hoe dan ook zullen we een idee moeten krijgen van een ‘goed leven’ binnen de gemeenschap als geheel. Daartoe zijn ook gemeenschappelijk gedragen symbolen en omgangsvormen nodig waarin gemeenschapszin tot uitdrukking komt en wordt bewaard.’ Ik ben nu de mening toegedaan dat in ieder geval lichaam en locatie, oftewel lijfwereld daar een belangrijke rol in zal spelen. Niet voor niets nam de politieke revolte rond de millennium-wisseling de vorm aan van locale Leefbaarheidspartijen.”

Korte tijd na dit privécollege komen we de filosoof tegen bij een debat. Hij fluistert ons toe: “Toen jullie weg waren, heb ik er toch nog een vijfde lijn bij bedacht. De lijn van de democratisering. Heel belangrijk.”

Moeten we toch nog zijn boek lezen.

[1] ‘Wat is de Matrix? Over het technisch-economische bestel en de vraag naar een nieuwe innerlijkheid’, in: Verbrugge, Tijd van onbehagen.

[2] Geciteerd in Bankroet, p. 290 en p. 121.

[3] We zijn het meteen gaan checken, en inderdaad, een broodje kaas op station Amsterdam Zuid kost 3 euro 20. Maar dan heb je wel een ambachtelijk broodje, met grove mosterd. En blaadjes cressonette, dat is lekker fris. Overigens hebben ze honderd meter verderop een restaurant waar de prijzen ook niet mals zijn, maar dat komt dan weer door een nephaardje met brandgel die barbecuegeur verspreidt. Gezellig!

[4] verwijzing?

[5] Vooral de voorspelling dat het kapitalisme steeds weer bloei zou laten zien werd niet gewaardeerd door Stalin, die Nikolai Dmitrievitsj Kondratieff prompt beloonde met acht jaar strafkamp. In 1938 werd hij geëxecuteerd.

[6] Thomas Friedman, The Lexus and the Olive Tree, 1999.