De twee zielen van Europa

Inleiding

Uitgerekend nu ons vrijwel dagelijks wordt voorgehouden dat ‘we ons brein zijn’ heeft men als het thema van de maand van de filosofie de ziel gekozen. Dit is des te opvallender aangezien de vraag naar de ziel binnen de filosofie van de twintigste eeuw nauwelijks enige rol van betekenis heeft gespeeld. Het mensbegrip in deze periode stond toch vooral in het teken van een meer sociale en/of existentiële invalshoek – als twee kanten van dezelfde zielloze medaille: De mens als een maatschappelijk bepaald wezen en de mens als een in de wereld geworpen enkeling. Cultureel gesproken culmineerde de maatschappijkritische filosofie in de revolutie van de jaren zestig waarin neo-marxisme en existentialisme op een eigenaardige manier samenvloeiden in het sociale ideaal van de bevrijding van het individu.

We leven inmiddels in andere tijden waarin de vraag naar de ziel zich opnieuw aan ons begint op te dringen, niet alleen vanuit een persoonlijk maar ook vanuit een cultureel perspectief. Daarvan getuigt ook het aan mij gerichte verzoek of ik een lezing wilde verzorgen over ‘De twee zielen van Europa’. Want hoewel Europa een geestelijk werkelijkheid is die we zelf voortbrengen en van waaruit we onszelf begrijpen, zij laat zich niet kennen door een neurofysiologisch onderzoek naar ons brein.

Na al het gepraat over het brein noopt dus de culturele situatie van Europa ons om weer eens na te denken over ‘de ziel’! Maar hoe moeten wij na de dood van God en de dood van het subject zoiets als de ziel eigenlijk ter sprake brengen? Misschien is het verstandig om deze vraag niet meteen vanuit een traditioneel christelijk perspectief aan te snijden. Dat hoeft ook helemaal niet. De ziel is immers een oud en eerwaardig thema binnen de filosofie, – juist ook in afzet tegen de zogenoemde ‘materialistische verklaringen’ voor menselijk gedrag die we reeds in de klassieke oudheid tegenkomen. Alleen al daarom doen we er dus verstandig aan eerst maar eens bij de klassieke traditie te rade te gaan voordat we ingaan op de vraag naar de twee zielen van Europa!

Ethos en de vraag naar de ziel

Laat ik beginnen met een passage uit de Phaedo waarin Plato bij monde van Socrates de vraag naar de ziel uitwerkt met het oog op de menselijke sterfelijkheid, beter diens eigen nakende dood. Wachtend op de gifbeker maakt hij zijn vrienden tijdens een nachtelijke sessie voor een laatste maal duidelijk waarom het hem in zijn filosoferen te doen is – en waarom hij voor de dood niet bang is. Terugkijkend op zijn eigen ontwikkelingsgang zet hij kort maar krachtig uiteen waarom hij na zijn aanvankelijk enthousiasme niet bij de leer van Anaxagoras kon blijven. Diens verklaringen voor menselijk gedrag in termen van botten, pezen en zenuwen raken volgens Socrates niet aan de kern van datgene wat een mens drijft. Zoals hij zelf ietwat gekscherend stelt: Die botten en pezen zouden mij al lang op weg naar Megara hebben gebracht (om te vluchten of in ballingschap te gaan) – als ik mij niets aan de rechtvaardigheid en de polis Athene gelegen had laten liggen. Maar juist deze twee zijn het nu juist die maken dat Socrates bij het krieken van de dag de gifbeker zal leegdrinken. Met het oog op de hogere rechtvaardigheid, maar vooral ook uit liefde en hoogachting voor Athene zelf neemt hij haar onrechtvaardigheid in deze zaak voor lief – ook al betaald hij daarvoor met zijn eigen leven.

Daarmee raken we meteen aan een voor Plato elementaire ervaring van de menselijke ziel, namelijk dat zij betrekking heeft op dat wat wij op de een andere manier goed achten en liefhebben, of ruimer nog, dat wat ons beweegt en waarnaar wij streven. De menselijke ziel betreft de dimensie in ons bestaan die in het geding is bij de vraag wat ons ‘bezielt’ om te doen of te laten wat we doen of laten. Zijn leerling Aristoteles gaat verder op dit spoor, maar zal het toch ook op een eigen wijze invullen: Aangezien de mens een Zooion logon echon is – oftewel ‘een dier dat spreekt en redeneert’, behoort het tot de eigen aard van de mens dat wat we doen en denken voor onszelf en anderen te verwoorden en uit te leggen. Volgens Aristoteles openbaart zich in de wijze waarop wij dat doen wie wij zijn, oftewel ons ‘èthos’ – wat we gewoonlijk vertalen met ‘geaardheid’ of  ‘karakter’.

Dat het menselijk bestaan niet in termen van ‘bewustzijn’ of ‘wil’, maar in termen van ethos wordt uitgelegd, zegt veel over de Griekse levenservaring. We dienen in dat verband te bedenken dat de term ethos in het Grieks een tweevoudige betekenis heeft: Het staat zowel voor onze 1) gewoonte als 2) woonplaats. Aangezien een èthos in de zin van gewoonte door gewenning tot stand komt en iedere gewenning een zich gewennen aan… (ethizesthai) horen gewoonte en woonplaats van meet af aan bij elkaar. Grieks gedacht betekent dit dat onze ‘houding’ altijd gestalte krijgt in bepaalde ‘verhoudingen’ binnen de wereld. Habitus en habitat moeten in hun samenhang worden begrepen. Een deugdelijke houding ontwikkelen en die in en door te handelen volhouden in de grillige omstandigheden is dat waarin het menselijk geluk gelegen is. Alleen zo ook is hij ten volle mens.

Dit deugdelijk leven van de mens als een zooion politikon – een gemeenschapswezen – speelt zich altijd af in verhouding tot zijn naasten en medemensen. Om die reden is voor zowel Plato als Aristoteles de vraag naar het goede leven onlosmakelijk verbonden met de inrichting van de polis – als de ‘natuurlijke’ plaats waarin een dergelijk leven gestalte krijgt. Dat brengt ons op een ander belangrijk punt, namelijk dat de menselijke ziel voor de Grieken niet iets is wat op zichzelf staat, maar altijd al verbonden is met een gemeenschap. De Griekse mens was wezenlijk een ‘Athener’, ‘Spartaan’ of ‘Efesiër en begreep zijn identiteit in sterke verbondenheid met dit collectief. Het was ook dit diep doorvoelde besef van saamhorigheid dat er voor zorgde dat Socrates als Athener de straf van Athene niet los van zichzelf wilde en kon zien.

In het oude Griekenland bracht men een dergelijke collectieve ‘bezieling’  waaraan men deel had onder meer tot uitdrukking in de cultische offers en erediensten voor de heroos en de beschermgoden van de polis. Wie daarvan hedendaagse voorbeelden zoekt zou wellicht kunnen denken aan de collectieve bezieling die in voetbalclubs tot uitdrukking komt: Ajax, Feijenoord en FC Twente zijn namen voor een bepaalde stijl van voetbal en het bijbehorend aanhangerschap die totemachtig tot uitdrukking wordt gebracht en bewaard in mascottes, emblemen, clubtenue, vlaggen, clubliederen, spreekkoren enz. De ziel van de club is niet alleen verbonden  met de plaats waar de club gevestigd is, maar vooral ook met de manier van spelen, de verhouding tot de omgeving, het soort aanhang, de vorm van de organisatie, de opleiding en opvoeding van de jeugd, kortom ‘de zeden en gewoonten’ van de club en de mentaliteit die daaruit spreekt.

We spreken in dit verband ook wel van een bepaalde clubcultuur. ‘Cultuur’ in een dergelijke zin kan men natuurlijk in allerlei verbanden en organisaties tegenkomen, in een gezin, op school, in een bedrijf, buurt, stad en land. De ziel of bezieling ervan wijst op de innerlijke drijfveer of bewogenheid tot die bepaalde gemeenschap en vorm van samenleven. Waar de ziel van een wereld uitdooft, haar bezieling verloren gaat, verdwijnt ook deze wereld als de uiterlijke manifestatie daarvan. Het uiterlijke geraamte als het versteende aandenken van wat geweest is blijft over en vult zich dan niet zelden met iets nieuws. Een sprekend voorbeeld van dat laatste zijn bijvoorbeeld onze kerken waaruit veelal de oude ziel gedoofd is en plaats heeft gemaakt voor nieuwe vormen van menselijk samenzijn waaruit een andere collectieve ziel spreekt.

Het ideaal van Europa en economische voorspoed – aanduiding van een probleem

Daarmee zijn we aangekomen bij het eigenlijke thema van deze lezing: De twee zielen van Europa. Wat is in het geding? Niets meer of minder dan onze eigen toekomst als ‘Europeanen’ – voor zover daarmee op een bepaalde culturele verwantschap wordt gedoeld. Laat ik duidelijk zijn omtrent mijn eigen positie: Ik heb vanaf het Verdrag van Maastricht in 1992 zeer sterke twijfels gehad over de manier waarop de Europese Unie gestalte kreeg. Inmiddels is deze twijfel een breed gevoeld sentiment onder de bevolking, zowel in als buiten ons land. Voor zover we ons nationale lot op dit moment verbinden met de Europese instituties – en dat misschien nu nog sterker doen dan eerder het geval was, lijkt de Unie niet zozeer door een gevoel van saamhorigheid en een verlangen naar verbondenheid bijeengehouden te worden, maar eerder door een angst dat het uiteenvallen van de Unie een nog een veel grotere economische ellende teweegbrengt dan degene waarmee we nu geconfronteerd worden.

Daarin openbaart zich meteen ook de innerlijke zwakte van het huidige Europese project. Zij is in hoge mate ingegeven door een bepaalde opvatting over economische slagkracht. Mijn vrees was en is nog steeds dat juist de sterk economisch gemotiveerde herinrichting van Europa voorbij gaat aan de verscheidenheid van culturen van dit oude continent en daardoor spanningen oproept die Europa innerlijk verdelen en verzwakken. Europa zal door deze institutionele herinrichting niet ‘in vorm komen’, omdat ze niet het resultaat is van een positieve wil of verlangen naar iets, maar veeleer voortkomt uit het niet willen van iets of angst voor iets, oftewel een negatieve motivatie. Dit is ook wat men voortdurend hoort: Door het proces van globalisering waarin grootmachten als Amerika, China, India en Rusland de overhand hebben, hebben we historisch gesproken geen andere keuze dan een verenigd Europa, omdat we alleen zo onze belangen kunnen veilig stellen en een woordje meepraten.

Deze gedachtegang is mede het gevolg van een economisch blokdenken dat zelf weer een restant is van de grote militaire blokken ten tijde van de koude oorlog. Mede als gevolg daarvan wordt op dit moment onvoldoende ingespeeld op de eigen dynamiek van globalisering en neemt de onderlinge spanning juist toe. De diepere oorzaak daarvan is gelegen in de nog steeds zwaar onderschatte culturele divergentie van Europa waarvan men zich bij de inrichting van de Europese Unie onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Voor zover cultuur en economie ten nauwste met elkaar verbonden zijn zal deze spanning zich eerst en vooral op het gebied manifesteren waarin men door middel van uniforme regels de Europese eenheid probeert af te dwingen, namelijk het economische leven zelf. Precies dat is wat zich de laatste jaren voltrekt, waarin wij aan het begin staan aan de onttakeling van het gehele Europese project.

Economie als staatshuishoudkunde betreft het ‘op orde houden van het huis’. Dit huis is niet primair de theoretische wereld van grootse plannen, idealen en statistiek, maar het concrete leven met zijn dagelijkse ritmiek van (samen) eten, drinken, slapen, waken, werken en rusten enzovoorts – waarin het eigen lot en welzijn met dat van anderen verbonden is: vrouw, kinderen, familie, vrienden, collega’s, buurt-, stad- en landgenoten. De dynamische ontwikkeling van de economie betreft deze ‘gewoonlijke’ lotsverbondenheid van mensen die geschiedend vorm krijgt. Zij moet daarom vanuit de dynamiek van de cultuurgeschiedenis begrepen worden en geeft uitdrukking aan de ziel van een streek of land en zijn historisch gegroeide positie in de wereld.

Het is deze échte geschiedenis van streken en landen waarvan de Europese Unie als een ideologisch gemotiveerd project zich in onvoldoende mate rekenschap heeft gegeven. Ik besef dat ik met dergelijke uitspraken een gebied betreed van het taboo, zoals ik vlak na het verschijnen van Tijd van Onbehagen al heb mogen ondervinden. De filosofische bezinning op Europa is allerminst een neutrale aangelegenheid, maar roept hevige sentimenten wakker, nog steeds. We zullen nog zien waarom dat zo is.

Dat laat onverlet dat wij – zeker nu we te kampen hebben met een financieel-economische crisis die zijn weerga in de geschiedenis niet kent – meer dan ooit gedwongen worden om na de te denken over wat ons in Europa nu eigenlijk bezielt! De vraag naar de eenheid van Europa is geen studeerkameraangelegenheid maar een kwestie die de financiële markten dagelijks in beroering brengt. Wat wij voor financieel-technische systeem oplossingen wij momenteel ook uitdenken voor de crisis – een biljoen steunaankopen van de ECB, een Europees monetair steunfonds van 700 miljard, een bankenunie enzovoorts; het probleem is dat wij in Europa momenteel niet bereid zijn om werkelijk een politieke Unie te vormen, een werkelijke lotsverbondenheid aan de dag te leggen. Was dat wel het geval dan zou er helemaal geen onrust rond de euro bestaan.

De ambitie van de Economische en Monetaire Unie (EMU) – namelijk de economieën van alle Europese landen – te convergeren, is tot mislukken gedoemd zolang bij de bevolking zelf de politieke wil ontbreekt om één te zijn en hun culturen divergeren. Het begint steeds duidelijk te worden dat een Europese monetaire unie alleen kan voortbestaan door een politieke unie. Maar zonder een culturele eenheid en lotsverbondenheid kan deze Europese politieke unie dus ook geen normale democratie worden. Toch is uitgerekend ‘democratie’ nu juist een van de institutionele kernwaarden waaraan de Europese Unie haar identiteit ontleent. Deze innerlijke spanning in het Europese project wordt deze jaren in toenemende mate voelbaar en bedreigt in mijn ogen de toekomst van Europa. De elite is het volk kwijt en is daardoor ook niet in staat het mee te nemen.

De kern van het huidige Europese probleem is niet zozeer wat we ‘willen’ met elkaar, maar wat we al ‘zijn’ voordat we überhaupt iets willen en denken. Europa laat in mijn ogen geen Politieke Unie toe, althans niet op de manier waarop men die momenteel probeert vorm te geven. Dat onder de druk van grote financiële moeilijkheden toch proberen van de grond te tillen acht ik een van de grote politieke gevaren van dit moment.

Dat maakt deze analyse geen pleidooi voor Nederlands provincialisme dat zich keert tegen internationale en Europese betrekkingen. In tegendeel, de kernopdracht van nationale politiek bestaat in mijn ogen nu juist in het onderhouden van internationale betrekkingen en zorgen dat men in vorm is voor de omgang met andere volkeren en landen. Ook ben ik geen anti-Europeaan; de rijke geschiedenis en cultuur van Europa zijn mij juist dierbaar. Dat er intensieve Europese samenwerking nodig is, staat evenmin buiten kijf – dat is allemaal niet waar het om gaat. Het debat over Europa zou er al veel bij winnen indien men tegenstanders van de Europese Unie niet op voorhand wegzet als provincialen of enge nationalisten. De beslissende vraag is hoe men in deze tijd van globalisering de verhouding van burgers en politieke instituties begrijpt. De vraag die hier centraal staat is veeleer wat de dynamiek is waar het instituut Europa momenteel aan bloot staat en hoe die samenhangt met ‘De twee zielen van Europa’ – de titel van deze lezing.

Ziel, ethos en het gemeenschappelijk goed

Hierboven heette het dat de ziel zich manifesteert in ons èthos, de houding als een ‘gewoonte’. Dat betekent dat bij uitstek ook in het menselijk wonen – de inrichting van zijn huis, zijn tuin, zijn auto, zijn straat en buurt  – iets van diens ziel naar voren komt. Dat geldt niet alleen voor individuen, maar bij uitstek ook groepen mensen die bij elkaar wonen. Sferisch valt het al op als we van de ene streek of stad naar de andere reizen, maar de ervaring van deze sferische verscheidenheid dringt zich pas echt goed op wanneer men vroegere landsgrenzen overschrijdt en steden bezoekt. De boerderijen in de Achterhoek, de lintbebouwing in Vlaanderen, een pittoresk huisje op het Franse platteland, de witte huizen in een klein dorp op een Grieks eiland.

Natuurlijk, in de reusachtige postmoderne wereldsteden ogen de verschillen op het eerste gezicht veel kleiner, maar toch proeft men ook hier in de specifieke architectuur en stadsinrichting, de omgangsvormen tussen mensen en hun gebruiken toch ergens een andere ‘mentaliteit’. De uitwendige verschillen van woning en infrastructuur spiegelen ook een fundamenteel verschil in de gebruiken en menselijke verhoudingen – de ‘geestelijke infrastructuur waarin mensen zich ‘thuis’ voelen. Ook in het internationale zakenleven weet men maar al te goed dat er tussen landen onderling grote verschillen zijn in ‘mores’.

Deze culturele dimensie van het economisch leven ligt in de term economie zelf besloten. Wat past bij de ‘orde van een huis’ is ook een kwestie van stijl die mensen zich eigen hebben gemaakt en waarin zij zich thuis voelen. Ook in de sfeer van het zakenleven kan men de verschillen in manieren van doen niet simpelweg duiden in termen van ‘beter’ en ‘slechter’. Ook hier gaat het om verschillende vormen van samenleven, volgens een eigen stijl, samenhangend met het geheel van het maatschappelijk leven. Zoals men bij het voetbal niet zomaar kan zeggen dat het voetbal van FC Twente ‘beter’ is dan dat van Ajax of PSV, zo kan men dat ook niet zeggen waar het gaat om de verschillenden vormen van samenleven, de inrichting van maatschappelijke en politieke instituties enzovoorts. Het hangt ook af van wat je aanspreekt en waar je je thuis voelt. Het Franse onderwijsstelsel  – waarin voor openbare scholen exact wordt voorgeschreven wanneer wat er op welk moment dient te  gebeuren – voelt voor veel Nederlanders ‘niet goed’ en lijkt een autoritaire ontkenning van de vrijheid van school en leraar te zijn. Voor de Fransen is het een bewijs van ‘Frans staatsburgerschap’ en de verwerkelijking vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Het woord ‘goed’ hangt oorspronkelijk samen met dat wat je ervaart als het eigene – vandaar ook landgoed e.d. Dat betekent dat ‘het gemeenschappelijk goed’ als een centrale politieke categorie altijd ook te maken heeft met dat wat als ‘het eigene’ wordt ervaren, gepast in de situatie, horend bij wie je bent. ‘Oost west thuis best’ luidt het spreekwoord dan ook. De wereld van de zedelijkheid is om met Hegel te spreken het gerealiseerde goede, de objectieve geest in haar voleinding. Wat daarbinnen de concrete gebruiken, en daarmee ook ‘rechten en plichten’ zijn, wat de onderlinge menselijke verhoudingen en bijbehorende mentaliteiten, kan niet uniform bepaald worden: ’s lands wijs, ’s lands eer.

De feitelijke legitimiteit van een politieke orde valt of staat dus ook niet met de vraag of de wetgevende of uitvoerende macht democratisch is verkozen, maar veeleer of zij door een volk als ‘eigen’ worden ervaren, dat wil zeggen behorend tot en zorgend voor zoiets als een gemeenschappelijk goed. Dat is de basis van herkenning, vertrouwen en saamhorigheid. Alleen daardoor kan iemand zich thuis voelen in zijn wereld. Precies deze minimale ervaring van ‘eigenheid’ rond het gemeenschappelijk goed – ondanks alle onderlinge verschillen – maakt dat er pas werkelijk van één volk en dus ook van volkspolitiek sprake kan zijn; wat zelf weer een voorwaarde is voor ‘volksbestuur’, oftewel democratie als een vorm van politieke vrijheid.

Convergentie en divergentie in de geschiedenis van Europa

Er is op dit moment in onvoldoende mate sprake van een gemeenschappelijk goed om van een Europees volk te spreken. De verschillen in de ‘ethisch-geestelijke infrastructuur’ binnen Europa zijn groot. De omgangsvormen en verhoudingen tussen man en vrouw, ouders en kinderen, werkgever en werknemer, jong en oud, familieleden, buren en vrienden enzovoorts wijken binnen Europa sterk af, alsmede de opvattingen van eer en trouw, de arbeidsmoraal, de inrichting van en verhouding tot instituties, het vertrouwen in de rechterlijke macht, de politie, de politiek, de ambtenarij, het onderwijs, het verenigingsleven, de staat enzovoorts. We gaan misschien wel op vakantie in Frankrijk, Duitsland of Polen of hebben handelscontacten, maar dat betekent nog niet dat we ons ook vereenzelvigen met de manier van leven. De bekende en fascinerende World Values Survey laat zien dat het continent Europa wat ‘normen en waarden’ betreft nog steeds een van de meest divergerende gebieden ter wereld is.

Het mag dus geen verbazing wekken dat ook onze ‘economieën’ sterk uiteenlopen. Het economisch verschil wordt dus niet gecompenseerd door gevoelsmatige en historisch gewortelde saamhorigheid zoals tussen Brabant en Limburg. Echte lotsverbondenheid ontbreekt. Een ander land blijft dan ook ‘buitenland’ – we voelen ons er niet echt thuis qua land: wederzijdse herkenning, vertrouwen en saamhorigheid met het land als land ontbreekt. Er is ook geen gedeelde publieke ruimte; zelfs de stijl van journalistiek en televisie maken lopen sterk uiteen.

Helaas lijkt de politieke, bestuurlijke en zakelijke elite in Nederland de afgelopen decennia eerder minder dan meer vertrouwd te zijn geworden met deze publieke ruimte in onze buurlanden. De afnemende kennis van vreemde talen (neem alleen al Frans en Duits) die ook op de universiteiten zichtbaar is spreekt wat dat betreft boekdelen. Wat overblijft is ‘globale’ kennis van Engels – als een taal voor massaal internationaal handelsverkeer, toerisme, amusement en wetenschap. Het zogenoemde ‘proces van globalisering’ en het verdwijnen van een doorvoeld én gearticuleerd besef van zoiets als culturele diversiteit bij de politieke, bestuurlijke én zakelijke elite hangen met elkaar samen. Toch is daarmee nog niet de vraag beantwoord waar dit streven naar eenheid eigenlijk vandaan komt.

Een voor de hand liggend antwoord is dat het proces van globalisering de verschillen in levensstijl verkleint. Het uiterlijk van de wereld wordt invloed van techniek en economie steeds eenvormiger in vergelijking met vroeger. Inderdaad, wanneer men vooral gericht is op deze uiterlijke kant van dit proces kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat de mensheid gelijkvormiger gaat leven, zodat er op termijn één groot collectief ontstaat. Maar een dergelijke uiterlijke gelijkvormigheid impliceert nog niet innerlijke verbondenheid. De introductie van de ploeg, het buskruit en het vliegtuig heeft ons in het verleden ook niet verenigd. En zoals we bijvoorbeeld ook aan de geschiedenis van de menselijke talen kunnen zien, groeien mensen niet alleen naar elkaar toe, maar groeien ze ook uiteen. Dat is overigens een verschijnsel dat niet alleen in de mensenwereld, maar ook in de natuur en evolutie zichtbaar wordt.

Wat nu de ‘biotoop’ Europa betreft dienen we te bedenken dat deze principes van ‘eenheid en onderscheid’, of actief ‘verenigen en afscheiden’, of wat meer passief ‘convergeren en divergeren’ kenmerkend zijn voor de gehele Europese geschiedenis vanaf de Middeleeuwen.

Aan het eind van de elfde eeuw zet de katholieke kerk de vorstenhuizen en adel van Europa aan tot de kruistochten, mede om zo hun onderlinge twisten te beëindigen en de volkeren van Europa onder het gezag van de paus te brengen. Adel en kerk vertegenwoordigen in deze periode divergerende en convergerende machten. In het midden van de twaalfde eeuw speelt de spanning van convergentie en divergentie bijvoorbeeld op in de strijd tussen de Heilige Kerk (sacrum ecclesia) en Heilig Roomse Rijk (sacrum imperium romanum), een term die Frederik van Barbarossa invoert en waarmee hij de wereldse ambities van de katholieke kerk bestrijdt. De orde der tempeliers wordt aan het begin van de twaalfde eeuw opgericht en is een kerkelijke ridderorde die alleen de paus gehoorzaamt. Zij zal een grote militaire en financiële macht worden die zich over geheel Europa uitstrekt en reikt tot aan Turkije en het Midden oosten. In 1307 zal zij worden ontmanteld door de Franse koning Philips de IV die daarmee vooral ook zijn eigen nationale belangen dient.

Toch draagt de Europese aristocratie met haar feodale machtsverdeling weer een sterke verenigingsdrang in zich die er mede voor zorgt dat rond adel en vorstenhuizen een groot Europees netwerk van kamerdiplomatie ontstaat dat eeuwenlang blijft voortbestaan. Tegelijkertijd laat zich in de opkomst van de nationale monarchieën in de nieuwe tijd weer een divergerend beginsel zien van de natie-staat ten opzichte van de feodale structuren. Convergentie van de staat betekent divergentie ten opzichte van een ander verenigend beginsel. Zo zullen Hendrik VIII en Willem van Oranje ieder op hun manier breken met zowel de feodale als de katholieke orde binnen Europa. Vervolgens zullen we in de moderne tijd in tal van landen binnen Europa zien hoe de adel en de stedelijke burgerij zich verzetten tegen de absolutistische trekken van de monarchie.

De Nederlanden werden in de zestiende eeuw een Republiek en Willem van Oranje zou helemaal geen vorst worden. In Engeland zou het absolutisme een einde vinden met de komst van Willem III, waarmee het parlement en daarmee de adel haar machtspositie ten opzichte van de centrale monarchistische macht veilig stelde. In Frankrijk zouden adel, boeren en burgerij met de Franse revolutie een einde maken aan de absolute monarchie die begonnen was met Lodewijk de XIV. Daarvoor kwam een absoluut nationalisme in de plaats met eveneens een sterk centralistische en dominante staatsmacht – die tot op de dag van vandaag zichtbaar is.

De twee zielen waarover in de titel gesproken wordt wijst om te beginnen op deze uitgesproken machtsdynamiek van vereniging en afscheiding in de Europese cultuurgeschiedenis – boven, tussen en binnen de landen en volkeren. Hierboven hebben we al aangegeven dat er sterke onderlinge verschillen zijn tussen de Europese landen en volkeren. De machtsdynamiek van verenigen en afscheiden is zelfs zo kenmerkend voor Europa dat de specifieke verhouding van de volkeren tot hun centrale staatsmacht zelf weer een uitdrukking is van hun eigenheid. Daarom ook is geen enkele democratische constitutie binnen Europa hetzelfde.

Europa en het drama van de wereldoorlogen

Zoals gezegd heeft reeds de katholieke kerk getracht de volkeren van Europa tot één gemeenschap om te vormen, onder heerschappij van de paus. Het is deze keer echter geen religie die ons bij elkaar zou moeten brengen – en dat is gezien de geschiedenis van godsdienstoorlogen maar goed ook. Wat moet ons dan verenigen? Welnu, dat is het eerder genoemde proces van globalisering, het mondiale samenspel van economie en techniek. Maar zoals het woord al zegt betreft globalisering nu juist een proces dat de gehele globe omvat, waarom zou ons dat als Europa verenigen? Waarom verenigt het ons niet met Amerika, China, Turkije, Rusland of met de gehele wereld? Waarom zou door dit proces van globalisering een Nederlander of Engelsman sterker cultureel verwant worden met een Griek of Roemeen dan met een Amerikaan? Als dat niet zo is, waarom dan geen Atlantische Unie? Kijken we niet allemaal naar Amerikaanse programma’s en zit MacDonalds niet in alle landen van Europa?

Wat heeft ons er dan toe gebracht dit project in gang te zetten?  Onze gezamenlijke geschiedenis zo zegt men. Maar is de geschiedenis van zowel Noord als Zuid-Amerika niet sterker verbonden met landen in Europa dan tussen sommige Europese landen onderling het geval is? Het lijkt eerder om een specifieke geschiedenis te gaan: Het drama van de twee wereldoorlogen dat zich op Europees grondgebied heeft voltrokken en zelfs de gehele wereld in vuur en vlam heeft gezet!! We verenigen ons dus mede dankzij een geschiedenis van gewelddadige divergentie. Hoe kan dat?

De naoorlogse elite heeft gemeend dat de overdreven nationalistische sentimenten die ten grondslag lagen aan het uitbreken van deze wereldoorlogen voorkomen zouden kunnen worden door een sterke internationale instituties en samenwerking op economisch gebied. Mondiaal ontstonden zo de VN, IMF en de Wereldbank. Binnen Europa was de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1951 een direct uitvloeisel van deze gedachte. Economische samenwerking werd door de elite gezien als een krachtig pacificatie-instrument.

Daar bleef het niet bij: De culture revolutie van de jaren zestig bracht een geheel nieuwe dynamiek in het spel. Zij vormde ideologisch gesproken eveneens een reactie op de twee wereldoorlogen, maar zij was anders van aard: Haar aanval richtte zich op de nationalistische en kapitalistische burgercultuur als zodanig, omdat dat die werd gezien als de eigenlijke oorzaak van de twee wereldoorlogen. De zogenoemde ‘bevrijding van het individu’ was daarom het culturele antwoord dat dergelijke drama’s in de toekomst zou moeten voorkomen. Als opstand van een generatie werd deze nieuwe politiek-culturele ideologie cultureel de facto sterk geïnspireerd door de cultuur van de overwinnaar – de Angloamerikaanse wereld. De popmuziek afkomstig uit Engeland en Amerika zou dan ook de lijfliederen leveren voor de internationale studentenbeweging. Ideologisch werd zij bepaald door het denken van de (jonge) Marx en neomarxistisch gedachtegoed. De revolutionaire studentenbeweging leverde felle kritiek op het Westers kapitalisme, waarin achter de schermen het militair-economisch complex de dienst uitmaakte en het fascisme zich had vermomt in de kleren van de brave burgerlijkheid, terwijl die burgers werden verdoofd door de kapitalistische consumptiemaatschappij.

Alle maatschappijkritiek en pogingen tot het stichten van nieuwe samenlevingsvormen ten spijt, blijkt het principe van het vrije individu het krachtigste motief te worden in de culturele dynamiek van deze generatie. Na de roes volgt de ontnuchtering. Zo zien we in de loop van de jaren zeventig het mislukken der experimenten, het doven der idealen en tenslotte in de jaren tachtig de onvermijdelijke hervorming van de opgeblazen verzorgingsstaat. Na de ineenstorting van het Oostblok, omarmt deze generatie in de jaren negentig uiteindelijk het ‘antiautoritaire’ denken van neoliberale denkers als Friedrich Hayek waarin planning for competition het nieuwe adagium wordt. De links ingezette emancipatie van het individu blijkt op een haast vanzelfsprekende manier samen te vloeien met de neoliberale revolutie die in de jaren tachtig ‘rechts’ was ingezet door Reagan en Thatcher. Nieuw links ontdoet zich van de ideologische veren en een ‘derde weg’ wordt ingeslagen. Antiautoritair links en neoliberaal rechts blijken nu plotseling goed samen te kunnen gaan. De democratisering van de universiteit wordt afgeschaft door dezelfde generatie die hem heeft ingevoerd. Te log om ‘modern’ te kunnen besturen heet het nu.

Haar sterk door Marx bepaalde economische oriëntatie op de werkelijkheid ondergaat een opmerkelijke wending, maar de economische blik op de werkelijkheid blijft richtinggevend. De overheid trekt zich terug uit tal van maatschappelijke sectoren die worden ‘geliberaliseerd’ en ‘gedereguleerd’. De logge overheidssturing moet plaatsmaken voor een nieuwe ordening om individueel ondernemerschap ongehinderd de ruimte te geven. Zo doen de markt en quasi-markt hun intrede, worden maatschappelijke verhoudingen en menselijke activiteiten bedrijfsmatig in termen van productie, consumptie en concurrentie beschreven. In diezelfde periode vinden de naoorlogse generatie en de generatie van de jaren zestig hun gemeenschappelijke richting in een nieuw project dat Europa in staat moet stellen om naast de Verenigde Staten een zelfstandige politieke en vooral ook economische grootmacht te worden. Het ressentiment jegens Amerika door het naoorlogs Europees machtsverlies vloeit samen met het jaren zestig antiamerikanisme.

Het ideaal van een verenigd Europa wordt nog steeds gedefinieerd in relatie tot de wereldoorlogen waaruit het aanvankelijke motief tot Europese economische samenwerking was voortgekomen. De vorming van de Europese Unie moet voorkomen dat er ooit nog zulke gruwelijke massaslachtingen op Europees grondgebied plaatsvinden. Dit is evenwel een negatieve identiteit. De positieve identiteit waarop Europa zich nu voor wil laten staan zijn ‘gedeelde Europese waarden’. Zoals hierboven reeds opgemerkt is het Europees continent nu juist bijzonder gedifferentieerd in termen van ‘waarden’. Wat er dus precies Europees is aan die waarden is echter niet duidelijk of het moet hun specifieke ontstaansgeschiedenis in Noordwest Europa betreffen.

Het lijkt bij deze waarden dan ook vooral om de zogenoemde mensenrechten te gaan en natuurlijk ons ‘gedeeld respect voor democratie’.  Hier stuiten we meteen ook op de morele horizon en vooral ook het levensgevoel van de jaren-zestig-generatie. De waarden die van de culturele revolutie overblijven betreffen in theorie het welzijn van het vrije individu en democratie. In hun abstractheid zijn deze noties echter veel te mager om een gevoel van saamhorigheid en gemeenschap te scheppen tussen de landen. Ze behoren bovendien niet alleen Europa toe, de Verenigde Staten kunnen er minstens zozeer aanspraak op maken! En zoals ook de geschiedenis van het Europees Verdrag voor Rechten van de Mensen laat zien kan inmiddels zelfs Rusland (sic!) daarmee instemmen.

Er gebeurt iets vreemds: Europa definieert haar identiteit door nu juist de vrijheid van het individu ten opzichte van welke groepsidentiteit dan ook te benadrukken. Een mens wordt in die zin negatief bepaald. De identiteit van de Europese burgers is zogezegd dat hij er nu juist qua Europeaan geen heeft. De Europese identiteit blijkt in werkelijkheid vooral een negatieve inhoud te hebben, in de zin dat zij slechts concreet wordt door het belang en de inhoud van de nationale identiteit te ontkennen.

Tegelijkertijd zien we natuurlijk regelmatig dat Europa – en niet in de laatste plaats ook Nederland – deze ‘Europese waarden’ moralistisch hanteert in haar bejegening van anderen. Doch daaruit blijkt echter nogmaals het negatieve karakter van deze identiteit: Zij uit zich vooral als moralistische kritiek en protest: Zich gemeenschappelijk opwinden over anderen, vooral waar het mensenrechten en democratie betreft. Dit zijn echter geen strikt Europese waarden en stichten op zichzelf geen positieve Europese identiteit en saamhorigheid. Als die echter in onvoldoende mate aanwezig zijn, wat voor dynamiek zal dit project dan krijgen?

Europa – ideaal en werkelijkheid

Het moralistische motief tot het Europese project ontsprong niet alleen aan het dramatische verleden, maar vooral ook aan de latere interpretatie en de poging tot bezwering daarvan door de naoorlogse elite en de jaren zestig generatie. De democratische bevrijding van de burger in de negentiende en begin twintigste eeuw was gepaard gegaan met een groeiend nationalisme, imperialisme, militarisme en een sterke economische wedijver. Oorlog was dan ook haar onvermijdelijke consequentie. De geschetste divergerende beweging van het nationalisme die de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw had gekenmerkt werd daarom in de tweede helft daarvan krachtig beantwoord door een nieuwe convergerende pacificatie-ideologie van (antinationalistisch) kosmopolitisme en Europese economische samenwerking.

De culturele revolutie van de jaren zestig vormden daarin een enorme katalysator. Men moet hier het quasireligieuze en missieachtige karakter van deze ideologische revolutie niet uit het oog verliezen. De kracht van de jaren zestig zit hem mede in de haast heilige bezieling waarvan zij doortrokken is, de droom van een grote vereniging van mensen, een einde aan oorlog, geweld en onderdrukking – die allemaal het gevolg zijn van (sexuele) bekrompenheid en burgerlijk groepsdenken. De ideologie van het vrije individu is een nieuw evangelie, een nieuwe ‘blijde boodschap’ die de mensheid kan verenigen in broederschap.

Hier moet men echter niet de vergissing begaan om de werkelijkheid te verwarren met ideologie, theologie of levensbeschouwing! Wat men als levensideaal verkondigt, welke boeken men leest en welke slogans men bezigt bepaalt nog niet de zin van dit ideaal en de vorm die het aanneemt in de werkelijkheid, het concrete leven waarin deze boeken en slogans ervaren worden. Toen Luther meende dat hij zijn christelijke leer louter op de schrift baseerde (sola scriptura) dan verraadt zich niet alleen in die leer, maar vooral ook in de levenspraktijk van de lutherse kerk zelf een specifiek Duits ethos. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor de Anglicaanse kerk of voor de gereformeerde kerken in Nederland. Leerstellingen alleen bepalen niet de concrete werkelijkheid van het culturele leven. Ze ontlenen hun zin juist aan de manier waarop ze in en door het leven worden opgenomen.

Dat is niet minder het geval bij ideologieën. Al in de negentiende eeuw wordt zichtbaar dat de ‘universele ideologie’ van het communisme haar eigen culturele vormen aanneemt en nationale tradities zal ontwikkelen, met eigen specifieke interpretaties, instituties, omgangsvormen en aandachtsgebieden. Waar de Duitsers vastbesloten streven naar ‘organisatie’, neemt het communisme bij de Fransen en Italianen een veel anarchistischer vorm aan. Zelfs bij de Internationale begrijpt men elkaar maar half! Wat men met elkaar deelt zijn vooral ‘de ideologische namen’ voor dezelfde vijanden, wat zich daarachter verbergt verschilt fundamenteel van elkaar. De Duitse Burger is heel wat anders dan de Franse ‘bourgeois’ een Engelsman kent het concept van de burger niet eens,  hier blijft tot op de dag van vandaag de aristocratische ‘gentleman’ dominant.

Ditzelfde speelt bij de culturele revolutie van de jaren zestig en de vormen die zij in Europa aanneemt. Zoals bij iedere ideologie en religie zichtbaar wordt, zal ieder land weer zijn heel eigen ‘antiburgerlijke’ bewegingen kennen die ongemerkt toch weer de eigen nationale identiteit verraden. Nederland neemt de vorm aan van het moralistische missieland: De geest die zich óók in het calvinisme openbaarde vormt zich om en past de boodschap aan. Maar de (religieuze) vrijheid van geweten wordt net als bij de Unie van Utrecht zowel geëerd als intolerant afgebakend.

Waar we eens met onze boten de wereldzeeën afvoeren en in de binnenlanden van Borneo de ‘blijde boodschap’ van het gereformeerd of katholiek geloof brachten als de ultieme waarheid en verlossing, zo varen we een paar decennia later even monter en zelfovertuigd met de abortusboot rond om weer een andere blijde boodschap van bevrijding bij de onwetende en in duisternis wandelende mensen te brengen. Zo zal dus ook de emancipatiestrijd in ieder land weer een eigen nationale vorm kennen, met bijvoorbeeld typisch eigensoortige vrouwenbewegingen. Daarvan zijn deze internationale ‘bewegingen’ zich echter nauwelijks bewust, zolang men maar naar dezelfde muziek luistert, boeken leest, kleding draagt en slogans hanteert. Dat is hier in het bijzonder het geval, omdat de nationale burgercultuur hevig wordt bekritiseerd. Deze vijand deelt men.

Maar in de vorm van de ontkenning daarvan en in de manier waarop deze bevrijding van de nationalistische burgercultuur wordt gepropageerd verbergt zich al een nationaal ethos. In deze ideologische denationalisering van de levenshorizon – die zich zeker in het religieuze Nederland krachtig manifesteert  – verliest men dan ook de eigen aard uit het oog. Waar in de eerste helft van de twintigste eeuw nog een zeker zelfbewustzijn bestond omtrent de nationale identiteit, daar wordt zij nu juist geproblematiseerd, actief ontkend of zelfs miskend. Het ideaal van de Europese Unie sluit aan bij de denationaliserende bevrijding van het individu. Ieder land heeft daarbij zijn eigen ‘Europa-ideaal’ dat door zijn elites wordt gebruikt. De politieke en culturele elite in Nederland zal – hoe goedbedoeld ook – aan het volk regentesk een discours opleggen dat in feite een uitdrukking is van zelfvervreemding. Daarmee verliest het op termijn nu juist ook de legitimiteit bij het volk, een legitimiteit die politiek onmisbaar is.

Dat verklaart ook de nationale sentimenten die uitbarsten in het nieuwe millennium – en waarvan de eerst gedemoniseerde, maar inmiddels bijna heilig verklaarde Pim Fortuyn de eerste grote vertolker was. De bevrijdende werking van zijn optreden lag er niet toevallig in ‘dat hij zei wat hij dacht’. Een nieuwe haast religieuze strijd om gewetensvrijheid ontbrandde: de vrijheid van meningsuiting. Dwars tegen de politieke correctheid van zijn tijd in eiste hij het recht op om de vraag naar nationale identiteit en soevereiniteit opnieuw te stellen.

Met de terugkeer van het nationale als een centrale politieke categorie begonnen echter ook de donkere wolken boven het Europees project zich samen te pakken. Dat was niet alleen in gidsland Nederland het geval, maar ook in landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De afwijzing van de grondwet in 2006 was de eerste grote slag voor de Europese elite. De institutionele inrichting van Europa geraakte in een crisis door een gebrek aan legitimiteit bij de bevolking.

De huidige financieel economische crisis is de tweede ronde van deze crisis – en die is nog maar net begonnen. De gevolgen ervan zullen  vele malen groter zijn, ook voor Europa, en daarom wordt zij met alle middelen bestreden. Aangezien men in de gehele wereld nog niet eens aan een oplossing van deze crisis is begonnen – integendeel, de negatieve gevolgen ervan zijn vooral naar de toekomst geschoven en juist daardoor vergroot –, moeten de echte harden klappen nog vallen, ook voor Europa. Wat nu in Zuid Europa gaande is vormt slechts het begin van een mondiale economische herschikking. De bubbel is geklapt en de schuldenberg is de laatste jaren alleen nog maar gegroeid.

Reeds nu al zien we dat de muntunie juist het tegendeel teweeg heeft gebracht van wat men ervan heeft verwacht. Iedereen sprak dezelfde slogans en formuleerde dezelfde idealen, maar de werkelijkheid was anders. Men meende dat de euro monetaire stabiliteit zou brengen en dat mede door de euro de verschillende Europese landen economisch zouden convergeren. Het tegendeel gebeurde. De economieën van de eurolanden zijn in hun innovatie, productiviteit, loonkosten en algehele slagkracht juist gedivergeerd,– en niet alleen in economische zin. De grote problemen in Zuid-Europa zijn mede door de praktijk van de muntunie veroorzaakt.

Mijn grootse bezwaar tegen het Europese ideaal is altijd geweest dat zij bij gebrek aan culturele samenhang in werkelijkheid vooral een economische realiteit zou krijgen. Maar aangezien een gezonde economie als de orde van het huis altijd ook een gezonde ‘cultuur’ vooronderstelt zal de dominantie van het economische in de feitelijke realiteit van de Europese Unie niet alleen culturele spanningen teweegbrengen, maar uiteindelijk ook die economische slagkracht zelf ondermijnen. Dat is mijns inziens wat er momenteel aan de hand is. Daarmee vertoont het proces dat zich in de Europese Unie voltrekt sterke gelijkenissen met wat zich in het Oostblok heeft voltrokken. Dat is overigens geen toeval: Zowel het communisme als het neoliberalisme zijn abstracte ideologieën die – hoe verschillend ook – het primaat van het menselijk leven en samenleven situeren in economische verhoudingen. De rest is ‘bovenbouw’… Ik vrees dan ook dat de Unie een zelfde lot beschoren is als het Oostblok, maar dat zullen we moeten afwachten natuurlijk.

De marketing van Europa en de opkomst van de plutocratie

De moraal van het vrije individu uit de jaren zestig die samengaat met de neoliberale wind die in de jaren negentig begint aan te wakkeren zal in ieder geval ook voor de vormgeving van de Europese Unie beslissend worden. Het vrije verkeer van personen, goederen en diensten is de neoliberale economische realiteit van het vrije gedenationaliseerde individu. Liberalisering, de opening van de interne markt, deregulering en het op afstand zetten van de nationale overheid wordt een agenda die mede door Europa wordt opgelegd en soms ook warm onthaald en gebruikt wordt door nationale politici en bestuurders. Internationale organisaties en Brusselse burelen worden trouwens vooral bevolkt door een generatie die een kosmopolitische, internationale horizon heeft en zich daarin een ideologische voorhoede waant. Zoals eens in de katholieke Middeleeuwen wordt hier met behulp van wetenschap een eenheidsideologie uitgedacht en ‘geestrijk’ geïmplementeerd: Het verenigd Europa als een economische grootmacht – die in 2010 de meest concurrerende economie ter wereld moet zijn! Weet U nog?

Met het formuleren van ambities wordt ook het volk verleid en warm gemaakt voor de institutionele herinrichting van Europa. Of misschien gelooft het volk het allemaal wel, zolang het er maar beter van wordt en er een goede boterham aan kan verdienen. De dagelijks propaganda maakt dat vrijwel iedereen gelooft wat op dit punt wordt verkondigd, inclusief vele propagandisten zelf. De lijn van de geschiedenis lijkt ook zo duidelijk in de richting van Europa te wijzen: De soevereine staat behoort tot het verleden, met de euro en de Europese Unie zijn we het best toegerust voor de gigantische economische strijd die globalisering heet. Van een Europa zonder grenzen en een transnationale munt wordt uiteindelijk iedereen beter, niet alleen voorkomt het oorlog, we reizen gemakkelijker, krijgen meer economische groei, in de eurolanden kun je overal met dezelfde munt betalen enz.  Het is niets dan vooruitgang en gemak met Europa en de euro.

Nog steeds hoort men dergelijke propaganda voorbijkomen: Er wordt niet bij verteld dat de huidige omvang van de crisis in Europa mede veroorzaakt wordt door precies het vrije verkeer van personen, goederen en diensten. Zonder het gedereguleerde internationale euro-verkeer en de lage rentevoeten in Zuid Europa en Ierland zouden zich nooit zulke grote bubbels hebben kunnen vormen. Ook had de huidige schuldslavernij van Zuid Europa ten opzichte van Noord Europa niet zo’n omvang kunnen krijgen. De explosie van schuld die we de afgelopen tien jaar hebben gezien – en die maakt dat we nu in een kredietcrisis zitten die zijn weerga in de geschiedenis niet kent – gaat dan ook gelijk op met een explosie van M3 (de geldhoeveelheid) in de eurozone – die in nog geen tien jaar tijd zal verdubbelen! Kortom, de zogenaamde groei van Europa na de invoering van de euro is in wezen een schijngroei geweest die in feite vooral een toename van schuld was. Dat is wat wij nu ervaren.

Precies dankzij de euro konden zich in Europa bubbels vormen die in de oude situatie nooit zo’n omvang hadden kunnen krijgen. Het is mede dankzij Europa dat de gehele toezichtstructuur in de financiële sector steeds moeilijker is geworden en de sturing ervan vrijwel onmogelijk. Juist door de sterke onderlinge verschillen is bijvoorbeeld de optimale rentevoet voor een land als Duitsland voor Spanje of Griekenland juist niet goed en omgekeerd! De politieke economie wordt een financiële economie die haar binding met een bepaald land verloren heeft. De eigenlijke convergentie van macht voltrok zich de laatste decennia in de ontaarde wereld van het geld, terwijl Europa de macht van de nationale staat ten opzichte van de transnationale geldmacht drastisch heeft ingeperkt. De euro werd zelfs een volledig gedenationaliseerde en gedepolitiseerde munt waar grondwettelijk geen enkele democratische controle meer op kon worden uitgeoefend. Maar dit spel moest op haar eigen grenzen stuiten.

Toen de banken mondiaal in de problemen kwamen bleek plotseling dat de natiestaten wel degelijk hun eigen banken moesten steunen. Dat zagen we ook bij de val van Icesave. Plotseling bleek de natiestaat weer de beslissende macht te worden die met zijn burgers borg diende te staan voor haar banken – en iedere volk was vooral geïnteresseerd in zijn eigen belang. Of was ook dat slechts schijn? Met minstens zoveel recht zou je namelijk kunnen zeggen dat juist de banken en de verzekeraars er sinds 2008 in zijn geslaagd de nationale staat – en daarmee dus ook het volk als belastingbetaler – aan zich te onderwerpen, en wel doordat zij met de doctrine van hun eigen onmisbaarheid binnen het systeem ongehoorde kapitaaleisen hebben kunnen stellen waar nu alle burgers voor moet bloeden. Zoals Marx als zei: het kapitalisme privatiseert de winsten en socialiseert de verliezen. Dat gebeurt momenteel.

De Europese Unie is opgenomen in dit machtspel en in de vorm van de ECB speelt zij zelfs een cruciale rol in het geheel. Neem alleen maar het ‘ogenschijnlijk’ onschuldige uitschrijven van leningen tegen een zeer lage rente waar banken vervolgens staatsobligaties voor kopen tegen veel hogere percentages. De nationale burger mag betalen en de bank spekken met dit renteverschil dat wordt betaald met belastinggeld. Waar jaren geleden werd verkondigt dat staatssteun aan bedrijfssectoren of industriepolitiek niet meer van deze tijd is, worden banken nu gefinancierd op een schaal waarbij de vroegere miljoenensteun een schijntje is. De Europese Commissie vindt het best. Niet alleen de FED, ook de ECB wordt door geldmannen gerund; en alle lijnen convergeren in Goldman Sachs – dezelfde bank die eens Griekenland in de euro heeft weten te krijgen. Mario Draghi van de ECB doet hetzelfde als Ben Bernanke van de FED: Biljoenen worden in het financiële systeem gepompt om de banken overeind te houden en de macht van het geldwezen te bevestigen. Beiden komen overigens uit de stal van Goldman Sachs. In welke zin is Europa een zelfstandige economische macht ten opzichte van de Verenigde Staten?

Opvallend is hoe dan ook dat zich momenteel een convergerende dynamiek rond het geld manifesteert die tegelijkertijd divergerende krachten oproept. Zolang die laatste krachten niet de overhand krijgen, speelt politieke onenigheid de macht van het geld juist in de kaart. De politieke zwakte van Europa veroorzaakt op haar beurt weer een nieuwe politieke dynamiek onder invloed van het geld. Het volk beslist al lang niet meer door wie het wordt geregeerd en wat voor maatregelen er worden uitgevoerd, de financiële markten zorgen daarvoor. Omdat het vallen van banken aan het volk wordt gepresenteerd als het grote ‘niets’ – een zeer effectieve kapitalistische mythe – is de angst daarvoor zo groot dat men tot alles bereid is om dat te voorkomen. Zolang het duurt natuurlijk. Dit is karakter van het eindspel dat momenteel wordt gespeeld.

Ook op dit punt doet zich het wonderlijke feit voor dat de markt haar huidige kracht mede ontleent aan de zwakte van de Europese politiek. Die zwakte is niet het gevolg van een gebrek aan leiderschap – zoals men dezer dagen nogal eens hoort, maar is een weerspiegeling van het gebrek aan culturele samenhang en eensgezindheid onder de Europese lidstaten. De opspelende culturele verscheidenheid waarover we aan het begin spraken maakt doelgericht en slagvaardig onmogelijk. Men deelt niet eenzelfde visie over de oplossing van de crisis, er is geen echt gemeenschappelijk goed en er spelen dus bij iedere afweging sterke nationale belangen. Ook de opvattingen over wat goed is en wat een rechtvaardige verdeling van middelen stemmen bepaald niet altijd overeen, evenmin de mate waarin men bereid is de landelijk wetgeving en rechten ook elders gerealiseerd te zien.

Nog groter wordt dit laatste probleem, omdat de verschillende bevolkingen van de lidstaten niet van zins zijn te bloeden voor het financieel-economisch welzijn van de burgers van andere nationaliteiten. Daarmee raken we aan het meest pijnlijke onderdeel van de huidige Europese politiek rond de euro.

Het is precies deze algehele onzekerheid over wat er met de euro gaat gebeuren die de rentes op staatsobligaties van risicolanden verder omhoog drijft. Het gevaar bestaat immers dat de eurolidstaten uiteindelijk niet solidair blijken te zijn, omdat het verzet daartegen onder de bevolking te groot wordt. En precies deze toename van onzekerheid en de angst waarmee die gepaard gaat, maakt een nieuwe vorm van politiek mogelijk waarin met behulp van het drukkende en dreigende kapitaal de democratische soevereiniteit van staten verder wordt uitgehold. Presidenten worden ten val gebracht en zonder al teveel morren vervangen door technocraten. Italië was daarvan een uitgesproken voorbeeld.

Daarmee stuiten we op de hoogste tegenspraak van de Europese Unie die zich met name in de eurozone manifesteert. Juist omdat Europa aan de burgers is verkocht in termen van economisch voordeel en consumentengemak druist de feitelijke praktijk van het politiek-economische leven in de Europese Unie in tegen de waarden waarmee zij haar eigen beschaafdheid meent te moeten uitdrukken. Waar eerder individueel of nationaal eigenbelang diende ter legitimatie van de Europese Unie, daar worden uiteindelijk ook de zogenaamde ‘kernwaarden’ van Europa aan dit belang opgeofferd, namelijk vrijheid en democratie!

Aangezien dit individuele of nationale belang in termen van geld wordt uitgedrukt wordt de legitimatie voor het eigen handelen financieel van aard. Om risico’s te verkleinen, de schade te beperken en herhaling in de toekomst te voorkomen moeten we in de euro blijven zo stelt men, die en die maatregel doorvoeren, zoveel steun geven op zo’n termijn, een noodfonds van zo’n omvang in het leven roepen, de ECB die positie geven enz. Alle kaarten worden op financiële afspraken en systemen gezet – en vele vergaderingen en adviseurs zijn nodig. Het slimme rekenen met geld en het kundig beheersen van geldstromen domineert. De meesters van het geld overheersen de Europese politiek. Zo manifesteert zich nu de plutocratie als de hoofdmacht binnen de Europese economie en politiek.

Waar de nationale sociale voorzieningen voor het grootste gedeelte buiten de jurisdictie van de Europese Unie vallen, daar grijpen we nu met behulp van de financiële markten en het IMF in deze voorzieningen in. Juist het lidmaatschap van de euro, maakt dat het zelfbeschikkingsrecht van het land de facto uit handen is geven en aan een externe economische rationaliteit wordt onderworpen. Men wil strenge regels en maakt nieuwe afspraken om zo de indruk te wekken dat er werkelijk iets gedaan wordt. Op de simpele vraag wat we doen als landen zich daar niet aan kunnen of willen houden blijft het angstwekkend stil. Het risico geld te verliezen en de onmacht dat tegen te gaan leiden tot voorstellen voor ‘sancties’ waarmee gehele bevolkingen worden gestraft met maatregelen die de kernwaarden van vrijheid en democratie aantasten. Om hun eigen financiële belangen veilig te stellen gaan Nederland en Duitsland hierin voorop. Men wil de politiek uitschakelen en de zekerheid van systemen en automatische maatregelen ervoor in de plaatst stellen. Bondskanselier Angela Merkel doet het voorstel om landen die de begrotingsnorm van drieprocent te lang overschrijden te straffen door hen voor enkele jaren ‘stemrecht’ te ontnemen. Of men wil dat er een eurocommisaris komen die landen in zo’n geval onder ‘curatele’ kan stellen. Sommigen juichen misschien een dergelijke ‘convergentie’ in Europa toe, maar de vraag is wat ondertussen bij de bevolking gebeurt.

Dergelijke opvattingen komen voort uit de behoefte de eigen welvaart zeker te stellen. Precies omdat we niet willen bloeden voor Europa, zal Europa zwak blijven en hopen we dat het ‘strenge systeem’ ons kan beschermen. Ondertussen bezweren we het huidige probleem alleen vooral ook door te stellen dat we een echt streng systeem gaan maken, waardoor het zich in de toekomst niet meer kan voordoen. Daarmee hebben we echter nog geenszins de oplossing voor het huidige probleem en groeit de schuldenberg verder door. Terwijl we praten over wat er moet gebeuren zodra landen de drieprocent-norm in de toekomst overschrijden, lopen de huidige tekorten in sommige Zuid Europese landen op tot meer dan het dubbele. Zodra een land als Nederland bovendien zelf in de problemen komt, menen we plotseling dat het systeem voor ons misschien toch net even wat anders dient te werken. Europa besteedt haar tijd en aandacht niet aan een hervorming van de reële economie en het oplossen van de reële crisis, Europa maakt vooral plannen, vergadert, neem voorlopige besluiten, reageert op markten, vergadert opnieuw enz.

Systeemdwang en chaos – oprukkende desintegratie

Hoe dan ook, het systeem blijft alleen maar bestaan zolang mensen erop vertrouwen dat het hun welzijn werkelijk ten goede komt. Ons eigen gedraai geef al de twijfel daaromtrent aan. De vraag is natuurlijk of we wel op vertrouwen dat degenen die zich binnen dit systeem als beslissers en machthebbers manifesteren wel het goede met ons voorhebben. Daartoe is weer nodig dat het systeem is ingebed in een gedeelde ervaring van een gemeenschappelijk goed – het thema waarmee we begonnen. Precies echter omdat we in een economische rationaliteit leven waarin de idee van gemeenschappelijk goed geen substantiële inhoud meer heeft en Europa slechts een negatieve identiteit kent, is dit vertrouwen in het systeem en zijn spelers zeer broos geworden. Het systeem kan namelijk ook zomaar ervaren worden als het machtsmiddel waarmee de ene groep of het ene land – , de ander onderdrukt. Dat zien we dan ook gebeuren.

En zo ontstaan er nieuwe spanningen tussen landen, spanningen die zelf in conflicten kunnen uitmonden. Dat is wat momenteel binnen Europa al voel- en zichtbaar wordt. Naar mate de crisis ook meer van het Noorden gaat vergen zal deze spanning steeds sterker worden. Dat is de diepere crisis waarin wij verkeren. De huidige Europese Unie is een Unie die wordt getekend door angst en onderling wantrouwen, in plaats van door vrijheid en vertrouwen. Zo is ook de euro al geen munt meer waar we echt blij mee zijn en waar we onszelf werkelijk in herkennen. We zijn vooral bang voor de onoverzienbare gevolgen wanneer hij er niet meer zou zijn. Tegelijkertijd zijn we ook bang voor de gevolgen wanneer het onze munt blijft. Op deze angsten wordt zowel door voor- als tegenstanders ingespeeld.

Menen dat het op dit moment nog wel meevalt met de gevolgen van de crisis is miskennen wat er gaande is. De Griekse schulden zijn onze schulden geworden – of we dat nu willen weten of niet. We zullen ons verlies moeten nemen en mede daardoor extra moeten bezuinigen. De traditionele oplossing in het Zuiden voor te grote overheidsschulden, namelijk geldontwaarding, wordt momenteel al toegepast zonder dat we het doorhebben. Onze pensioenen komen mede onder druk te staan door de kunstmatig laag gehouden rente door de ECB.

Een ding is zeker: Mede dankzij de euro is de eigen financieel-economische speelruimte van lidstaten sterk afgenomen. Dat maakt de munt ook zo’n slecht economisch instrument voor de sturing van de zeer verschillende landen en economische situaties. We zijn echter sterker dan ooit afhankelijk geworden van andere landen en bij gebrek aan vertrouwen en de ervaring van een gemeenschappelijk goed moeten we dus tot systeemeisen oproepen. Het economisch falen van het ene land kan immers beslissend worden voor de begroting, het spaargeld en de pensioenen van het andere. Het is precies ook deze onderlinge afhankelijkheid die onze controledwang oproept, maar die tegelijkertijd spanningen oproept.

De grootse politieke daad die wij met het verdrag van Maastricht in 1992 is dat wij als land niet langer meer kunnen beslissen over ons eigen lot. De discussies in Nederland tussen voor en tegenstanders van de Europese Unie hebben in die zin vaak iets provinciaals dat het lijkt alsof het lot van de euro van ons alleen zou afhangen. Maar of de euro al dan niet blijft bestaan is niet meer iets wat wij zelf als land nog in de hand hebben, maar waarvoor we in veel grotere mate dan we zelf doorhebben zijn overgeleverd aan anderen. Wij hopen het lot te bezweren met het strikte systeem, maar die bezwering wordt zelf ons noodlot.

Bij dit alles is misschien nog wel de meest angstaanjagende gedachte dat de overgrote meerderheid van oorlogen na de Tweede Wereldoorlog geen oorlogen tussen staten waren, maar burgeroorlogen. Daaruit blijkt eens te meer dat juist ook het institutioneel willen samenhouden van volken die in zichzelf te ver uiteen lopen in levensstijl zijn niet altijd pacificeert, maar juist ook tot conflicten kan leiden. Dat is wat de geschiedenis van Europa ons heeft geleerd. Niet alleen gedurende de Middeleeuwen, maar ook in de jaren negentig op de Balkan. Langzaam begint duidelijk te worden dat de Europese Unie misschien niet alleen een instituut is dat vrede brengt, maar dat ook verdeeldheid kan zaaien.

Tot besluit

In de negentiende eeuw werd de opkomst van de natiestaat als verzorgingsstaat mede ingegeven door de schaduwzijde die de geïndustrialiseerde modernisering van het liberaalkapitalisme liet zien onder de bevolking. De sociale staat die in Duitsland al vroeg onder Bismark gestalte begon te krijgen (en waarvan de wortels teruggaan tot diep in de Middeleeuwen), was het politieke antwoord op de ontwortelende macht van het geld die zich met de modernisering breed maakte.

Waar de Angelsaksische wereld vooral de macht van het geld diende als uitdrukking en middel van succesvol individueel ondernemerschap, stond in de landen van de Rijn de politiek van het beschermen van het collectieve belang van de werkgemeenschap voorop. De zogenoemde Angelsaksische en Rijnlandse economieën zijn uitingsvormen van twee dominante zielen van Europa die al eeuwen met elkaar in strijd zijn en die zich ook politiek vertalen. Zij manifesteerde zich in de grote en bloedige tweestrijd tussen Engeland en Duitsland gedurende de hele twintigste eeuw en zij keert heden ten dage op meso-niveau terug in het conflict tussen ‘managers en professionals’ – en zolang wij dit conflict in deze Angelsaksische termen blijven beschrijven is duidelijk wie nog steeds de overhand heeft.

De hierboven geschetste beweging van convergentie en divergentie voltrekt zich in dit technisch-economisch tijdperk in de vorm van een strijd tussen geld en politiek. Zolang Europa geen politiek antwoord weet te vinden op de macht van het geld – het geld zijn plaats wijst in een gemeenschappelijk goed – zal deze ontwortelende geldmacht haar steeds verder verdelen. Omdat de gedeelde ervaring van gemeenschappelijk goed vooralsnog ontbreekt en het Europese project de laatste decennia vooral werd gedreven door geldrationaliteit is het zeer twijfelachtig of dit lukt. Waarschijnlijker is dan ook dat de systeemdruk en de chaos binnen Europa alleen maar verder zullen toenemen, totdat de verarming van staten zijn tol gaan eisen – ook in het noorden. We bewegen terug naar een Europa van een verarmd zuiden en het noorden dat haar rijkdom wil behouden, met alle spanningen van dien.

Daardoor zullen vermoedelijk binnen niet al te lange tijd verschillende Europese volkeren in opstand komen tegen de Europese Unie en zal om te beginnen de eurozone uiteenvallen. Nederland is daarbij slechts een van de spelers. De institutionele desintegratie die dat teweegbrengt zal tot nieuwe internationale bondgenootschappen leiden die niet gegrond zijn in de gemeenschappelijke afkeer van culturele eigenheid, maar veeleer die eigenheid als uitgangspunt neemt. Die beweging tekent zich nu al af binnen Europa in het spreken over Noord en Zuid, de knoflooklanden, protestantse en katholieke landen enz. De dynamische omvorming van de Europa in deze richting zal tevens het einde markeren van de erfenis van de tweede wereldoorlog en oudere geografische waardevelden binnen Europa aan de oppervlakte brengen. Daarmee is volgens mijn begrip ook de geschiedenis van de moderniteit ten einde, waarvan de hybride Europese Unie het afsluitende postmoderne resultaat was.

In zekere zin keren we daarmee ook terug naar de culturele motieven binnen Europa die zich al in de Middeleeuwen openbaarden. Het ethos van een mens is zijn daimon – zoals Herakleitos al leerde: ’s mens aard is zijn lot – de verhoudingen waaraan een mens gewoon is zijn wat hem toekomt.