De universiteit en de hoogste zorg voor kennis

Er lijkt een andere wind te waaien aan de Nederlandse universiteit. De kritiek neemt toe op de huidige gang van zaken en er is behoefte aan nieuwe positiebepaling in verhouding tot de samenleving. Daarvan getuigt ook de opkomst van de beweging Science in Transition. In hun position paper schetsen de initiatiefnemers een reeks van negatieve tendensen die de Nederlandse universiteit bedreigen: de sterke nadruk op kwantiteit ten koste van kwaliteit, het misplaatste imago van de onfeilbare wetenschap, de focus op korte termijn successen en de vermijding van risicovol onderzoek, de toenemende belangenverstrengeling en financiële machtspolitiek, de institutionele druk tot conformisme en de algehele uniformering van het wetenschappelijk bedrijf. Daarnaast wijzen zij op de onderwaardering van onderwijs aan de universiteit, de communicatie met het publiek die tekort schiet en het gebrek aan zorg voor de kwaliteit van het nationale onderwijs.

Deze kritiek is allerminst nieuw. Nieuw is vooral dat zij gebundeld naar voren wordt gebracht én breed weerklank vindt, zowel bij bestuurders als wetenschappers – en dat is een hoopvol teken.

Dat deze beweging uitgerekend nu opkomt houdt verband met de maatschappelijke onvrede over de manier waarop allerlei sectoren de laatste decennia zijn gereorganiseerd. Ook de universiteit is in de greep gekomen van wat wel het New Public Governance en Management wordt genoemd. De opkomst daarvan maakt deel uit van het proces van ‘liberalisering’ en ‘globalisering’ dat zich vanaf jaren tachtig voltrekt.

De introductie van ontgrensde (quasi-)marktmechanismen heeft tot gevolg gehad dat veel organisaties – in hun streven naar kwantitatieve groei en winst – het maatschappelijk weefsel uit het oog zijn verloren waarin zij thuishoren. Denk hier bijvoorbeeld ook aan megalomane woningcoöperaties die ‘bedrijfsmatig’ bezig zijn met vastgoed in Polen en ondertussen hun eigen locale bestaansreden en kerntaak uit het oog verliezen.

Al meer dan tien jaar wordt zichtbaar dat het proces van globalisering op grenzen stuit en een nieuw evenwicht geboden is. Het besef groeit dat de zorg voor het locale noodzakelijk is – in sociaal, ecologisch, energetisch en economisch opzicht – wil globalisering niet ontaarden in een verwoesting van het plaatsgebonden (samen-)leven. Allerwegen zien we dan ook de behoefte aan maat en begrenzing toe nemen – zeker ook onder het gewone volk. Daarom wordt inmiddels gesproken over glocalisering.

De nadruk op internationalisering en artikelenproductie voor de academische loopbaan heeft er mede toe geleid dat de Nederlandse wetenschap zich veelal in mondiale, afgesloten, zelfreferentiële netwerken heeft georganiseerd. Zij maakt zich daardoor in toenemende mate los van het maatschappelijk leven als geheel, ja zelfs van het nationale onderwijs. Wetenschappelijk gesproken loont bijvoorbeeld het schrijven van een woordenboek of leergang voor het voortgezet onderwijs helemaal niet; het telt niet mee voor de ‘rankings’. In de recente ophef over VU-stereconoom Nijkamp wordt miskend dat diens gigantische artikelenproductie samenhangt met de permanente druk binnen de wetenschap om globaal te netwerken en zichzelf te ‘verkopen’. Dat deze productie dan al snel de vorm de vorm aanneemt van ‘assemblage– en reproductietechniek’ mag nauwelijks verbazing wekken en hoort bij deze globaliserende marktcontext.

De kritische reflectie op de inrichting van de universiteit vraagt in de eerste plaats om een besef van haar bestaansreden en eigenlijke missie. In mijn ogen is de missie van de universiteit de hoogste zorg voor kennis, en wel in relatie tot de gemeenschap waartoe zij behoort. Dan wordt ook snel duidelijk dat bepaalde zaken daarmee op gespannen voet staan.

Dat er onderzoek plaatsvindt aan de universiteit spreekt voor zich en getuigt van de hoogste zorg voor kennis. Je wil immers kennis bijstellen, uitbreiden en verdiepen. We dienen echter ook te beseffen dat de druk tot produceren van artikelen een gezonde academische kenniscultuur in de weg kan staan. Immers, hoe meer je moet produceren, hoe minder tijd je hebt om je in andere zaken te verdiepen – oftewel kennis op te doen! Netto kan eenzijdige nadruk op onderzoek in de vorm van artikelenproductie de kwaliteit en omvang van de kenniscultuur juist doen afnemen!

Het kan er bovendien toe leiden dat onderwijs – als zorg voor kennis – wordt verwaarloosd. Voor gedegen ‘universitair onderwijs’  is een brede intellectuele ontwikkeling vereist: niet alleen wat betreft de geschiedenis en ontwikkeling van het eigen vakgebied, maar ook wat betreft de relatie van dit vakgebied tot andere kennisdomeinen. Daartoe is steeds studie nodig, maar die is zeker niet altijd specialistisch van aard en hoeft ook niet te resulteren in de productie van artikelen.

Dat internationale samenwerking de ontwikkeling van onderwijs en onderzoek kunnen helpen lijdt geen twijfel, maar op wat voor manier is afhankelijk van het kennisgebied. Men kan ook doorslaan in internationalisering van onderzoek zodat men de relevantie van kennis voor de eigen gemeenschap uit het oog verliest.

In het academisch onderwijs zien we dat de cultivering van de eigen taal en talenkennis in het algemeen nauwelijks meer een doel is van academische vorming. Voor bepaalde onderdelen van een studie is dat misschien niet zo erg, maar in veel gevallen gaat het om een ideologische beslissing die schadelijk is voor de vorming van studenten. Ze werkt vervreemding in de hand. Een elite die niet goed meer haar eigen taal beheerst, moet wel terugrijpen op andere middelen om te besturen.

De eenzijdige nadruk op het Engels komt mee met het proces van globalisering en getuigt van een miskenning van de locale dimensie daarvan. Want zou het bijvoorbeeld ook in economisch opzicht niet bijzonder handig zijn om onze jongeren weer wat kennis van het Duits bij te brengen – de taal van onze belangrijkste handelspartner?

Ook de verwaarlozing van het nationale onderwijsgebouw is een grove miskenning van de kerntaak van de universiteit. Het is bij uitstek de hoogste zorg voor kennis in relatie tot de locale gemeenschap! Datzelfde geldt voor de deelname aan het publieke debat. Een wetenschap die de voeling verliest met de locale en situationele dimensie van kennis en haar eigen waardegeladenheid miskent, doet meer kwaad dan goed. Zij vernietigt praktische wijsheid – als een eigen vorm van kennis – in plaats van zich erdoor te laten voeden. Het conflict tussen managers en professionals door de miskenning van zoiets als beroepseer is mede door een abstracte en ontwortelde vorm van wetenschap veroorzaakt. Miscommunicatie begint waarmee men niet meer elkaars taal spreekt.

De zorg voor en vormgeving van het locale in het proces van glocalisering is een van de grote vragen van de toekomst. In dat verband zijn ook de humaniora van groot belang – juist ook als integraal onderdeel van sociale en economische studies! Dat vraagt ook om een ander vormgeving en beoordeling van onderwijs en onderzoek aan de universiteit dan momenteel het geval is. In de toekomst dient meer recht te worden gedaan aan het pluriforme karakter van menselijke kennis en cultuur.

In dat licht bezien is de huidige politieke en ambtelijke druk tot ‘valorisatie’ van universitaire activiteiten begrijpelijk. Zij keert zich tegen de zelfreferentiële in zichzelf gekeerde wetenschap die geen zorg aan de dag legt voor de wereld waarin zij ingebed is. Maar indien valorisatie slechts wordt begrepen in termen van winstgevendheid is zij een gevaarlijke ontwikkeling die niet kennis, maar geld tot hoogste maatstaf verheft – plutocratie. Wil het ideaal van kritisch denken geen illusie blijven en de universiteit beantwoorden aan haar missie, dan dient zij opnieuw na te denken over haar vormgeving vanuit de zorg voor kennis in relatie tot de gemeenschap waartoe zij behoort. De tijd lijkt er rijp voor.