Nederlands in het hoger onderwijs – en geen globish

Laatst was ik op Tilburg University waar ik zitting mocht nemen in een paneldiscussie over de onrust aan de Nederlandse universiteiten. Op de gevel van het gebouw waar ik die middag moest zijn, prijkte de naam Dante Building. Binnen hingen er bordjes met Ground Floor, Lecture Hall etc. Op de Vrije Universiteit te Amsterdam staat boven aan zulke bordjes ook nog eens ‘you are at’; alsof je zo’n bordje ooit zou kunnen lezen zonder je op die plaats te bevinden.

Deze bordjes zijn dan ook vooral een statement. Men wil ermee laten zien dat alles op deze universiteiten is gericht op de internationale wereld van de wetenschap: je hoeft je hier echt geen zorgen te maken dat je je ook maar enigszins zou moeten verdiepen in de nationale taal of cultuur. Ook de paneldiscussie vond plaats in het Engels. Gezien de achtergrond van de deelnemers was Nederengels het hoogst haalbare – ook voor mijzelf trouwens.

Dit is een illustratie van de stille revolutie die zich momenteel voltrekt op onze universiteiten, ja in ons hoger onderwijs als zodanig. Die zijn namelijk massaal aan het verengelsen. Hoewel dit een grote weerslag heeft op de praktijk van onderzoek en onderwijs – en direct raakt aan de maatschappelijke rol en betekenis van de universiteit – vindt er vrijwel geen discussie over plaats.

Door de sterke technisch-economische horizon van ons hoger onderwijs en de afwezigheid van een duidelijk vormingsideaal is de universiteit uit het oog verloren dat haar maatschappelijke taak mede bestaat uit het bewaren van cultuur en het revitaliseren en doorgeven daarvan. De cultivering van taal en de kunst van het vertalen maakt daar van oudsher een integraal onderdeel van uit.

Daarmee is meteen ook aangegeven dat ik niet tegen het gebruik van Engels ben op onze universiteiten of hoge scholen. Integendeel, daar zijn soms heel goede redenen voor. Waar ik mij tegen keer, is de ondoordachte en soms zelfs totalitaire manier waarop het Engels momenteel wordt doorgevoerd in ons hoger onderwijs, ten koste van de onderwijskwaliteit, ten koste van de taalrijkdom van studenten, ten koste van de betrokkenheid bij de samenleving en ten koste van een meer diverse oriëntatie op taal en cultuur, kortom ten koste van algemene en persoonlijke vorming.

Het gaat me dus ook niet zozeer om het gebruik van Engels als zodanig. Bij gebrek aan een vormingsideaal wordt namelijk ook de Engelse taal niet gecultiveerd, waardoor zij al snel verwordt tot globish – een uitgekleed Engels dat bestaat uit zo’n vijftienhonderd woorden met een simpele grammatica. Dit globish is geen cultuurtaal, maar de lingua franca van de globalisering die zich bij uitstek leent voor het internationale handelsverkeer en voor de informatie-uitwisseling in wetenschap en techniek waarin talige rijkdom, eigen stijl, gelaagdheid en nuances geen rol van betekenis spelen.
Om een taal werkelijk goed te leren spreken en schrijven moet je in een taalvaardige en taalrijke omgeving verkeren waarin je goede voorbeelden hebt. Je moet worden gestimuleerd en gecorrigeerd en je moet (spelenderwijs) leren om woorden en uitdrukkingen goed te gebruiken. Dat begint idealiter al thuis bij de ouders, wordt daarna voortgezet op school en dient in het vervolgonderwijs in een hogere vorm te worden gebracht. Er gaapt helaas vaak een kloof tussen ideaal en werkelijkheid.

De taalbeheersing Nederlands laat bij veel aankomende studenten te wensen over, vooral bij allochtonen. De Vrije Universiteit neemt daarom taaltoetsen af. Slagen betekent echter niet dat je in staat bent om heldere en aansprekende uiteenzettingen te geven. Je hebt een minimale basis, maar meer ook niet.

Ben je eenmaal op de universiteit, dan wordt er bij de meeste studies nauwelijks nog serieuze aandacht besteed aan taalbeheersing. Er is weinig oefening in schrijven en bij grote studies als bedrijfskunde bestaan de tentamens hoofdzakelijk uit meerkeuzevragen. Het zorgvuldig lezen en interpreteren van teksten, het onderscheiden van hoofd- en bijzaken, het formuleren van goed lopende zinnen met de juiste woorden, het logisch opbouwen van een alinea en het goed structureren van een betoog – het zijn allemaal elementaire vaardigheden die in veel studies nauwelijks nog aandacht krijgen. Over toon, het gebruik van voorbeelden, metaforen en stijlfiguren, het aansprekend formuleren en andere retorische kwaliteiten zal ik het maar niet hebben.

Wie niet zijn eigen taal beheerst, krijgt een vreemde taal helemaal niet onder de knie. Men mist simpelweg taalgevoel en taalvaardigheid. Het laat zich dan ook raden, wat de verengelsing van het hoger onderwijs in de meeste gevallen betekent voor de uitdrukkingsvaardigheid en het begrip van studenten. Ze bedienen zich van een beperkt woordarsenaal met veel vage en abstracte termen, stopwoorden en vaste uitdrukkingen. Kortom, taalverschraling. Ze zullen des te meer behoefte hebben aan ‘cijfers’, maar het interpreteren en bekritiseren daarvan wordt alleen maar moeilijker. Big Data gaat niet de verlossing brengen. Zoals Kant ons leerde: aanschouwing zonder begrip is blind. Het is veelzeggend dat recentelijk in Amsterdam door studenten en docenten de Bildung Academie is opgericht waarin dergelijk ‘cultiverend’ onderwijs centraal staat. Studenten zelf hebben daar kennelijk behoefte aan en vinden dat niet meer op de reguliere universiteit.

Minstens zo veelzeggend is het dat een van de drijvende krachten achter dit initiatief de hoogleraar strafrecht Eugène Sutorius is, die vele jaren geleden is begonnen met praktische colleges retorica en daaromheen een enthousiaste groep studenten en oud-studenten heeft verzameld. Retorica als de kunst van de welsprekendheid is een essentieel onderdeel van de klassieke vorming en persoonlijkheidsontwikkeling.

Het veel gehoorde argument voor de genoemde verengelsing van het hoger onderwijs is dat de wetenschap internationaler wordt. De meeste studenten gaan echter helemaal niet werken in de wetenschap, maar komen terecht in het bedrijfsleven, in het onderwijs of bij de overheid. Het is nog maar de vraag in welke mate zij dit Engels in hun werkpraktijk nodig hebben; met goed Nederlands zouden ze vaak meer gebaat zijn. Kennis van Duits kan ook heel handig zijn.

Universitaire bestuurders lijken te vergeten dat in het openbaar bestuur, de rechtspraak, de medische wereld, de media enzovoorts een goede beheersing van het Nederlands van cruciaal belang is. Met het oog op dergelijke beroepspraktijken dient men binnen de academische opleiding juist aandacht te geven aan een goede vorming én de bijbehorende denk- en taalvaardigheid in het Nederlands. Dat men daarnaast ook Engels en bij voorkeur ook nog andere vreemde talen als Duits en Frans dient te kennen, spreekt daarbij voor zich.

De VSNU stelt in haar recent verschenen toekomstvisie over het academisch onderwijs dat zij de vorming van studenten tot ‘kritische burgers’ en het contact met de samenleving van groot belang acht. Dat klinkt natuurlijk prachtig, maar het laat zich moeilijk rijmen met de volledige verengelsing van onderwijsprogramma’s. Naast mijn werk aan de universiteit geef ik met enige regelmaat lezingen in het land, zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid, en verzorg ik programmaonderdelen bij Comenius, leergangen voor het midden- en hoger management. Wat mij daarin opvalt is dat er onder bestuurders en beleidsmakers vaak een grote behoefte is aan een Nederlands vocabulaire om persoonlijke of maatschappelijke ontwikkelingen te duiden. Zowel op individueel als collectief niveau geldt dat de beheersing van de eigen taal cruciaal is om te kunnen benoemen ‘wat er leeft onder de mensen’ en hen te bereiken: dat zal iedere therapeut en goede politicus kunnen beamen. Onze publieke ruimte is Nederlandstalig: het journaal, de praatprogramma’s op radio en televisie, de artikelen in de krant, de politieke debatten in de Kamer enzovoorts. Zodra de talige betrokkenheid op de samenleving verdwijnt in de wetenschap, ontstaat er een gesegregeerde intellectuele elite die letterlijk en figuurlijk niet meer een zelfde taal spreekt als de mensen. Zo was een van de grote problemen van het wetenschappelijk onderzoek naar ‘onderwijs’ dat veel onderwijskundigen zich daarbij niet of nauwelijks liet voeden door de kennis van leraren zelf in lokale onderwijspraktijken. De onderzoekers leefden in hun eigen bubbel. Hun aanbevelingen werden dan ook niet opgevolgd.

Inmiddels wordt onderkend dat naast ontdekkend en vernieuwend onderzoek ook de verspreiding (distributie) en aanpassing (adaptatie) van wetenschappelijke kennis in onze samenleving tot de kerntaken van de universiteiten behoort. Dit stemt overeen met een ander fundamenteel inzicht, namelijk dat het proces van globalisering in de kern altijd ook een lokale dimensie kent waarop moet worden ingespeeld. Glocalisering wordt dat wel genoemd. Voor deze verspreiding en aanpassing van wetenschappelijke kennis is samenwerking nodig met partijen buiten de universiteit, te beginnen met de verschillende sectoren van het hele onderwijsgebouw zelf. Wie de kwaliteit van de geriatrie in Nederland wil verbeteren, moet uitgaan van een integrale benadering. Deze loopt van de academisch ziekenhuizen tot de wijkverpleging en de patiënten zelf. In deze wisselwerking tussen internationale wetenschap en lokale kennispraktijken speelt de cultivering van een gemeenschappelijke taal een cruciale rol. Zoals Frank Miedema, een van de initiatiefnemers van Science in Transition en decaan van het UMC, eens treffend zei: “Verplegen betekent niet hetzelfde als ‘nursing’ – er gaan namelijk verschillende culturele praktijken en waarden in schuil.” Zo wordt duidelijk dat ook de universiteit van de 21ste eeuw een plaats dient te zijn waarin de ‘vertaling’ van kennis plaatsvindt, waarin internationale wetenschap en lokale praktijken bij elkaar worden gebracht. Dit is de ware uitvoering van de wetenschapsagenda. Zo kan de universiteit een plaats zijn waarin echte ‘kritische burgers’ worden gevormd: geen ideologische luchtfietsers, maar mensen van vlees en bloed die verstand van zaken hebben.

Een universiteit die werkelijk diversiteit en academisch burgerschap nastreeft kan dus niet onder het mom van globalisering het globish tot haar enige voertaal maken, maar moet juist een ontmoetingsplaats zijn waar verschillende talen, culturen en wetenschapstradities elkaar kunnen verrijken.

Ook met het oog op de integratie van allochtonen is een dergelijke meertalige vormingsagenda aan onze universiteiten meer dan gewenst. Het komt het begrip tussen verschillende bevolkingsgroepen en levensbeschouwelijke tradities ten goede, omdat die een gemeenschappelijke taal moeten cultiveren waarin zij tot het hart kunnen spreken.

Tijdens het integratiedebat werd er steeds op gehamerd dat kennis van het Nederlands onontbeerlijk is om mee te doen in onze samenleving. Wat voor de integratie van Mohammed en Fatima kennelijk van groot belang werd geacht, lijkt nu voor hoger opgeleiden irrelevant te zijn. Ik ken net iets te veel wetenschappers die al jaren in Nederland wonen, maar geen idee hebben wat er om hen heen gebeurt. Ze voelen ook niet de noodzaak om Nederlands te leren, want de universiteit zelf acht Engels wel voldoende. Maar als we zelfs in een van de belangrijkste instellingen van onze hoogcultuur niet meer trots zijn op onze eigen taal en die respectvol behandelen, welk vormingsideaal bieden we dan nog aan om in te integreren? Dan mag het weinig verbazing wekken dat uiteindelijk ook het gewone volk – en de belastingbetaler – weinig respect meer heeft voor de academische gemeenschap. En dan ligt ook het populistische verwijt voor de hand dat de universitaire elite vooral met zichzelf bezig is – en ondertussen de Nederlandse cultuur verkwanselt.