Voorwoord bij ‘De onderwijsbubbel’

We leven in woelige tijden. De kredietcrisis is inmiddels een nieuwe fase ingegaan en het begint steeds duidelijker te worden dat de immense schuld die de afgelopen decennia is opgebouwd vroeg of laat toch door iemand betaald zal moeten worden. Helaas zullen dat vooral diegenen zijn die nauwelijks enige verantwoordelijkheid dragen voor de oorzaak en het verloop van deze crisis: de massa die veelal gedachteloos is meegegaan met wat de financiële elite en haar handlangers haar hebben voorgespiegeld – en daar soms op korte termijn haar een voordeeltje mee heeft behaald. Men hoeft geen aanhanger van Marx meer te zijn om te zien dat diens kritiek op het kapitalisme weer hoogst actueel is, namelijk dat waar er geen remming zit op dit systeem de winsten worden geprivatiseerd en de verliezen worden gesocialiseerd. Die verliezen zullen komende jaren genomen moeten worden. De financiële elite heeft haar zorgplicht ernstig verwaarloosd en de gevolgen daarvan op lange termijn zijn nog nauwelijks te overzien. We staan nog maar aan het begin van een lang en moeizaam proces van een mondiale economische herschikking tussen Oost en West en tussen staten in het Westen, die ingrijpende gevolgen zal hebben voor onszelf en onze kinderen.

Helaas is de financiële wereld niet de enige plaats waar lange tijd gebakken lucht is verkocht, waar onverantwoorde risico’s zijn genomen, waar grote bubbels zijn ontstaan en waar de grote massa uiteindelijk slachtoffer is geworden van een systeemfalen waaraan zij zelf maar betrekkelijk weinig kan doen. Het complexe fenomeen van deregulering, vermarkting, vermarketing en management-denken heeft vrijwel overal in ons maatschappelijk leven huisgehouden. Het is evenmin  aan het Nederlands onderwijs voorbij gegaan – en ook in het onderwijs heeft de ontketende macht van het geld zijn destructieve werk gedaan. Het heeft uiteindelijk geleid tot een situatie waarin de kwaliteit en positie van de docenten binnen de organisatie ernstig zijn ondermijnd en de algehele onderwijskwaliteit inmiddels zeer te wensen over laat.

Onze eens zo florerende onderwijscultuur is in de kern aangetast door de massale invoering van modieuze en slecht doordachte vormen van didactiek, zoals het nieuwe leren en competentieonderwijs, die ten koste zijn gegaan van vakkennis en karaktervorming. Mede door de managementcultuur in het onderwijs – die weer het gevolg was van de bestuurlijke en financiële verzelfstandiging van onderwijsinstellingen in deze periode – werden deze nieuwe vormen van didactiek ingevoerd op een manier die in veel gevallen leidde tot ‘kostenbesparingen’ op het primaire proces. Simpel gezegd, de leerlingen kregen minder les en moesten nu veel meer zelf gaan doen. Soms was er zelfs helemaal geen sprake meer van lessen, maar van ‘contacturen’ met ‘begeleiders’, omdat voor deze nieuwe didactiek ook geen vakdocenten en lessen meer nodig waren. ‘Zelfwerkzaamheid’ en ‘persoonlijke ontwikkeling’ werden het credo; en zo’n onderwijsconcept leek ook mooi aan te sluiten bij onze individualiserende samenleving. De internethype versterkte het idee dat je als postmodern mens niet meer alles uit je hoofd hoefde te leren, omdat het nu immers zo, met één druk op de knop, opgezocht kon worden. Dat kennis en kunde echter niet op één lijn gezet kunnen worden met beschikbaarheid van informatie werd daarbij over het hoofd gezien.

Dit alles werd verkocht met het argument dat dit nieuwe leren veel beter bij de huidige tijd hoorde en ‘de lesboer’ had afgedaan: de leerlingen van de nieuwe tijd zouden het ook veel leuker vinden en er bovendien meer van opsteken. In dit ‘nieuwe leren’ – hier als verzamelterm voor die nieuwe vormen van didactiek – stond in theorie de leerling centraal en moesten de docenten hun bepalende rol binnen het onderwijs opgeven. In plaats daarvan bedachten de bestuurders, managers en coördinatoren nieuwe structuren. Het primaire proces van lesgeven werd minder belangrijk, zodat ook de docent een steeds groter deel van zijn werktijd aan secundaire activiteiten ging besteden.

In theorie klonk dit nieuwe leren aantrekkelijk en in de glossy onderwijsmagazines oogde het verleidelijk, maar de werkelijkheid zag er heel anders uit. Leerlingen bleken helemaal niet te doen wat er in theorie van ze werd verwacht. , dDoor een gebrek aan les, structuur en discipline steeg de onderwijsuitval dramatisch en presteerden met name de jongens slecht, de kwaliteit van veel diploma’s werd dubieus en een omvangrijke fraude in het hoger beroepsonderwijs kwam aan het licht.

We dienen te bedenken dat de overheid dit proces mede in gang heeft gezet en versterkt, zowel door wet- en regelgeving van de afgelopen decennia als door de werkwijze van de inspectie. Enerzijds heeft de overheid zich samen met die inspectie teruggetrokken uit het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en deze sectoren zelf verantwoordelijk gemaakt voor de handhaving van de eigen kwaliteit. Anderzijds heeft de overheid ook zelf deze nieuwe didactiek actief opgelegd zoals het geval was bij de introductie van de Tweede Fase en het Studiehuis in het voortgezet onderwijs of zoals recent bij de introductie van het competentieonderwijs. Ook de inspectie hanteert nog al eens criteria die scholen didactisch gesproken een bepaalde kant op dwingen.

Net als bij de kredietcrisis is er in ons onderwijs een schadelijke en gevaarlijke situatie ontstaan die zich niet meer met een paar eenvoudige maatregelen laat oplossen. De problematiek is taai en complex. Het betreft hier bovendien een problematiek die met veel bredere maatschappelijke ontwikkelingen te maken heeft, zoals massamigratie, virtualisering, individualisering e.d. Onze onderwijscultuur is fundamenteel uit vorm geraakt.  en dDe huidige problemen vragen dan ook om een stevige aanpak, die  en zal zelfs dan nog jaren zal vergen. Inmiddels staan er helaas ook nog al wat docenten voor de klas die ook zelf niet goed zijn opgeleid.  De DaarnaastBovendien blijkt de aantasting van onze onderwijscultuur blijkt namelijk niet alleen uit de onvoldoende kwaliteit van sommige docenten, maar eerst en vooral ook uit de bureaucratische bestuurscultuur in het onderwijs.  Hoewel

Gelukkig lijken de laatste jaren kritische geluiden aan kracht lijken te winnen en tonen sommige politici en bestuurders zich echt begaan tonen met de situatie in ons onderwijs, . Toch is het toch van groot belang om de aard en ernst van de problematiek goed voor ogen te houden.

Mede als gevolg van de genoemde deregulering en vermarkting heeft zich vanaf de jaren tachtig en negentig een grote geldverslindende bureaucratische schil gevormd om het primaire onderwijsproces heen, bestaande uit  onderwijsbesturen, raden, accreditatieorganen en -bedrijven, onderwijsadvies en reclamebureaus, onderwijskundigen, managers, coördinatoren, consultants e.d., Deze schil om het primaire onderwijsproces heen bevindt zich zowel in onderwijsinstellingen als daarbuiten. Zij vormt een bureaucratisch ‘legitimerend’ en ‘controlerend’ netwerk waarin het primaire proces – het feitelijke lesgeven – gevangen wordt gehouden. Daarbij is sprake van een veelal onzichtbaar en informeel samenspel van geld, wetenschap, politiek, ambtenarij en management dat een groot stempel drukt op beleid en besluitvorming in ons land. Een dergelijk fenomeen doet zich overigens ook voor op tal van andere maatschappelijke gebieden. Men ziet daarin ook hoe de overstap van de ene leidinggevende positie naar de andere wordt gemaakt, soms ook van de ene sector naar de andere. Dit los-vaste ‘sociale netwerk’ vormt een ‘vijfde macht’  of misschien moeten we wel zeggen dat het inmiddels een hoofdmacht is geworden, precies omdat het als informeel netwerk van leidinggevende sociale actoren alle andere machten doortrekt.

Met het verdwijnen van de traditionele zuilensamenleving in Nederland heeft dit los-vaste en ideologisch versnipperde sociale netwerk de plaats ingenomen van de traditionele zuilen en haar representatiestructuur. Centrale drijvende krachten binnen dit sociale netwerk zijn niet meer een ideologie of een gedeelde levensbeschouwing, maar veeleer de uiterlijke goederen van geld, macht en status. In plaats van de levensbeschouwing of de expliciete ideologie functioneert de wetenschap nu als de zogenaamd objectieve legitimatie of ‘sanctionering’ van besluitvorming. Deze is echter veelal verkapt plutocratisch gemotiveerd, oftewel ingegeven door door geld, macht en status.

De mensen die in dit netwerk terecht komen organiseren zich als bestuurders, managers, adviseurs, controleurs, coördinatoren e.d. om de genoemde primaire processen heen. Het zogenoemde New Public Management propageert zelfs uitdrukkelijk de afstand tussen management en beroepsbeoefenaren. Topbestuurders in het onderwijs hebben inmiddels bij voorkeur geen onderwijservaring. Dat betekent evenwel dat zij bij hun beleid niet zozeer uit kunnen gaan van hun eigen lijfelijke ervaringen, maar juist op derden zijn aangewezen, zogenaamd wetenschappelijk advies van onderzoeksbureaus, rapporten van commissies of van adviseurs etc die allemaal moeten worden worden ingehuurd om bestuurlijke beleid en beslissingen te onderbouwen en te legitimeren. Daardoor is juist dit New Public Management zelf een belangrijke factor in het ontstaan van de genoemde schil waarin de verhoudingen tussen management en professionals zich verharden.

Onder invloed van de neoliberale revolutie aan het eind van de jaren tachtig is er door het New Public Management een systeem opgetuigd dat uitgaat van een bedrijfsmatige inrichting van onderwijsinstellingen, schaalvergroting, onderlinge competitie e.d. De prikkels die daarbij worden gebruikt zijn voornamelijk financieel en kwantitatief van aard. De financiële verzelfstandiging van onderwijsinstellingen en het primaat van financieel-kwantitatief denken heeft samen met de ideologie van ‘het nieuwe leren’ en het veelal ontbreken van landelijke normen voor inhoud en niveau in alle sectoren tot kwaliteitsverlies  geleid.  En hoewel bestuurders werken met publiek geld, hoeven zij over de besteding daarvan geen verantwoording af te leggen.

Het is dan ook met name de bestuurlijke elite binnen dit netwerk –politici, bewindslieden, hoge ambtenaren, bestuursvoorzitters van raden en grote onderwijsinstellingen – die de afgelopen decennia heeft gefaald in haar herinrichting van het Nederlands onderwijs. Er was sprake van een pervers samenspel van geld, wetenschap, macht en politiek dat ertoe heeft geleid dat ons onderwijs uiteindelijk het voorwerp van windhandel is geworden. Zoals het vertrouwen in de bestuurders van banken in veel gevallen misplaatst bleek te zijn geweest, zo is ook het vertrouwen in deze bestuurlijke elite misplaatst gebleken. Kritiek van goede docenten is lange tijd terzijde geschoven, leerlingen en studenten zijn jarenlang gepaaid met op het eerste oog aantrekkelijke onderwijsconcepten, zoals competentiegericht onderwijs en samenwerkend leren leren, tot zij zich uiteindelijk zulke grote zorgen gingen maken over de kwaliteit van hun onderwijs dat zij in 2007 zelfs gingen staken. Hoe ver moet het komen?

Waar waren ondertussen de ouders van al die leerlingen en studenten – de grote groep kiezers met wier belastinggeld ons publieke onderwijs wordt gefinancierd? Net als tijdens de roesachtige opkomst van de ‘de nieuwe economie’ hebben vele ouders vermoedelijk wel zo hun twijfels gehad bij datgene wat zij vanuit de hoek van ‘het nieuwe leren’  – als verzamelterm voor allerlei onderwijsinnovaties – zagen gebeuren op de scholen van hun kinderen: of het nu het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, het middelbaar of hoger beroepsonderwijs of zelfs de universiteit betrof. Het klonk misschien aantrekkelijk en in de brochure zag het er gelikt uit, maar afgaande op wat ze zelf nog kenden van vroeger waren veel ouders er wellicht toch niet helemaal gerust op. Maar waar het onderwijs van hun kinderen niet volledig ontspoorde hebben de meesten van hen zich maar neergelegd bij deze nieuwe realiteit; er op vertrouwend dat de overheid en zij die er over gaan wel zouden weten wat ze deden of simpelweg uit onmacht omdat zij niet de mogelijkheid hadden er iets aan te doen. Omdat zij geen verstand van zaken hadden, hadden ze volgens de ‘deskundigen’ ook geen recht van spreken. Een verkiezingsthema was het al die jaren nauwelijks – of hooguit voor een enkele partij.

Het wachten was dan ook op een initiatief van de kant van die grote groep leraren en docenten die onvrede hadden met al die opgelegde ‘innovaties’ en die nu eindelijk voor het grote publiek de mythes en marketing ervan zouden kunnen doorprikken. Zij die zich beroepshalve hard maken voor ‘het vak’ en het belang van vorming van jonge mensen. Het waren bovendien toch vooral ook de leraren en docenten die al dit nieuwe onderwijs hadden moeten uitvoeren, maar die door de bureaucratische schil zelf nauwelijks waren gehoord over de wenselijkheid en/of de vormgeving ervan.

In het voorjaar van 2006 werd door Beter Onderwijs Nederland (BON) de tegenaanval geopend tegen deze ‘bureaucratische schil’ die zij hoofdverantwoordelijk achtte voor de neergang van het Nederlands onderwijs. Tegelijk werd bij een groot publiek het belang van de kwaliteit en positie van de docent voor goed onderwijs onder de aandacht gebracht.

BON vond vrijwel meteen veel weerklank bij docenten en bij het grote publiek en zij kon in de jaren daarna uitgroeien tot een invloedrijke vereniging met vele duizenden leden. Er is sindsdien veel veranderd waar het gaat om de publieke en politieke belangstelling voor het onderwijs. Beter Onderwijs Nederland speelde en speelt daarin nog steeds een belangrijke rol en heeft er mede voor gezorgd dat de onderwijsbubbel gestaag leeg loopt. Wat in 2007 met het parlementair onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen in de jaren negentig begon, bereikte dit voorjaar een hoogtepunt met de ontdekking van de grootschalige diplomafraude bij InHolland. Het heeft er mede toe geleid dat de nieuwe bestuursvoorzitter Doekle Terpstra – die eerder de scepter zwaaide bij de hbo-raad – openlijk afstand heeft genomen van het zogenoemde competentie-onderwijs; iets wat BON vanzelfsprekend toejuicht.

Was de elite van de onderwijswereld van plan om het onderwijs zo’n schade toe te brengen? Nee, dat was waarschijnlijk niet het geval! Het probleem is veeleer dat velen naar het lijkt best hun idealen hebben gehad en die hebben proberen door te voeren. Of ze waren vooral met hun carrières bezig, met hun ambities het onderwijs ‘bedrijfsmatiger’ in te richten, te groeien als onderwijsinstelling en mee te doen met de grote jongens. Soms zijn dergelijke veranderingen doorgevoerd door mensen die werkelijk van mening waren dat ‘het nieuwe leren’ alle vroegere wetten rond deugdelijk onderwijs achterhaald zou maken. Maar net zoals eens de gelovigen in de nieuwe economie de afgelopen jaren met hun neus op de harde feiten zijn gedrukt, zo zijn inmiddels ook de gelovigen van dit nieuwe leren uit hun roes ontwaakt. Dat deze ‘innovaties’ in veel gevallen ten koste zijn gegaan van leerlingen, studenten, ouders, leraren en docenten begint gelukkig ook bij het grote publiek door te dringen en de politiek is daardoor wel gedwongen in te grijpen. De roep om een herwaardering van kennis en kunde en van de goed opgeleide en inspirerende docent klinkt overal op.

Maar daarmee zijn we er nog niet; ‘een lange mars door de instituties’ is geboden om een fundamentele cultuurverandering binnen ons onderwijs te bewerkstelligen. De genoemde bureaucratische schil om het primaire onderwijsproces heen – die de afgelopen decennia nagenoeg ongestoord de onderwijsbubbel heeft kunnen blazen – is namelijk nog steeds dominant aanwezig in de wereld van het onderwijs. Ondanks een verandering bij het publiek en delen van de politiek, is er nog steeds sprake van een pervers samenspel van geld, politiek, wetenschap en managersmacht waarin zelfs goede bedoelingen in hun tegendeel kunnen omslaan.

Mede uit die zorg over deze diep ingesleten cultuur en de bijhorende machtsverhoudingen is deze bundel voortgekomen. Bovendien, het mag tegenwoordig dan wel hip zijn om te klagen over de kwaliteit van het Nederlands onderwijs, over wat er dan precies moet gebeuren bestaat minder overeenstemming.  Voordat het überhaupt mogelijk is om een fundamentele verbetering te bewerkstelligen moet eerst duidelijk zijn wat er eigenlijk mis is in de wereld van het onderwijs en wat het krachtenspel is waarin wij ons bevinden.

Welnu, dat is precies wat deze bundel in kaart probeert te brengen voor een groot publiek, waarbij steeds verschillende invalshoeken zijn gebruikt. Wat is er de afgelopen decennia nu precies gebeurd in en rond de klaslokalen, wat voor beslissingen zijn er genomen op basis van wat voor overwegingen, wat was de rol van de politiek, was zijn de nieuwe machtsverhoudingen, wat voor gevolgen had de aanpassingen op de werkvloer voor leerlingen en docenten voor de kwaliteit van het onderwijs? Deze verhalen en analyses vormen de basis voor ons herstelplan zoals dat aan het eind van de bundel geformuleerd wordt.

Nadat BON-bestuurslid, initiatiefneemster en eindredacteur Fenna Vergeer binnen onze vereniging een verzameling van artikelen over dit onderwerp had verzameld, kwamen we als bestuur tot de conclusie dat het een goede zaak zou zijn om ook het grote publiek in kennis te stellen van de hier bijeen gebrachte verhalen, analyses en inzichten. Dat verklaart ook het zeer gevarieerde karakter van de verschillende bijdragen in deze bundel, waarvan sommige meer toegankelijk zijn dan de andere. Alle auteurs komen uit de schoot van onze vereniging of sympathiseren daarmee en delen hun grote bezorgdheid over de toekomst van ons onderwijs.

Bij de samenstelling van de artikelen hadden we verschillende overwegingen. De afgelopen jaren is er in het publieke debat veel aandacht uitgegaan naar ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs. Het in 2008 verschenen rapport ‘Tijd voor Onderwijs’ van de parlementaire Commissie Dijsselbloem vormde de bekroning voor de inspanningen van onze vereniging.

In deze bundel richten we ons daarom vooral op het beroepsonderwijs – van het voortgezet en het middelbaar tot het hoger beroepsonderwijs. Verder staan we stil bij ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderwijs. Wat is er aan de hand aan onze universiteiten? Beroepsonderwijs en academisch onderwijs vormen de sectoren waarin de problemen zich de afgelopen jaren in onze ogen het meest uitdrukkelijk manifesteerden. Daarnaast gaat er speciale aandacht uit naar de lerarenopleidingen, waar vakkennis in de verdrukking is geraakt en naar de enorme weerslag die dit weer heeft op alle onderwijssectoren.

De hoofdstukken over het mbo, hbo en wo openen steeds met anekdotes uit de onderwijspraktijk. De lezer zal hier mogelijk beschrijvingen aantreffen die hij kent uit eigen ervaring of die hij wel eens van anderen heeft gehoord. Daarbij heeft hij zich dan misschien ook wel eens afgevraagd wat de achtergrond daarvan is. Op deze anekdotes volgen dan ook nadere beschouwingen van de problematiek die duidelijk maken hoe het zover heeft kunnen komen.  Om die reden wordt er ook een een korte beschrijving toegevoegd van de politieke besluitvorming die daarin meespeelt.  Aparte hoofdstukken worden gewijd aan de hype van ‘het nieuwe leren’ en de  gevolgen die het heeft gehad voor het curriculum en voor het beroep van docent. Voordat de bundel afsluit met de visie van BON op wat voor manier beter onderwijs in Nederland tot stand te brengen is, analyseren we eerst nog de bestuurlijke en financiële structuur van ons onderwijsstelsel. De sleutel tot verbetering ligt volgens BON namelijk in het beëindiging van deze structuur, aangezien die de huidige kennisverarming en zelf-verrijking in de hand heeft gewerkt.

De kredietcrisis eist zijn tol en de onderwijsbubbel loopt leeg. De tijd van gebakken lucht is gelukkig voorbij, en de noodzaak van degelijk onderwijs is er alleen maar groter op geworden! Laten we gebruik maken van de gezonde krachten die er gelukkig nog zijn in ons onderwijs! De tijd van handelen is aangebroken. Laat deze bundel daar mede de aanzet toe zijn!