Wat hol en uitgewoond is, moet plaatsmaken voor het levensvatbare

Wat is het grootste probleem van ons land en hoe lossen we dat op? Bijzondere denkers en doeners beantwoorden die vraag in een lezing in De Balie. Gisteravond deed Ad Verbrugge, filosoof aan de Vrije Universiteit, dat: ‘In reactie op de ontheemding proberen we opnieuw onze wereld als een ‘huis’ vorm te geven.’

De verschillende crises – de financieel-economische, de ecologische, de institutionele, de demografische en de energiecrisis – hebben één ding gemeen: zij wijzen op een ontwrichting die samenhangt met de manier waarop de postmoderne mens de aarde bewoont. Die ‘gewoonte’ houdt verband met de geschiedenis van de moderniteit, waarin wij ons bevrijden van allerlei beperkingen. Zij mondt uit in het proces van globalisering en virtualisering zoals dat in de tweede helft van de 20ste eeuw zijn beslag heeft gekregen. Wij staan op een keerpunt in deze ontwikkeling. Dat vraagt om een fundamentele bezinning op de richting die we opgaan.

De generatie van de jaren zestig wilde de wereld veranderen en dat heeft zij ook gedaan, ook al is de uitkomst daarvan een andere dan zij wellicht in gedachten had. Het bevrijde individu dat moest leren luisteren naar zijn eigen gevoel en kritisch zijn eigen belang in de gaten diende te houden, bleek onder druk van economische globalisering in de rol van grenzenloze consument te worden gedwongen. Die consument moet altijd en overal producten kopen uit alle windstreken, wordt onophoudelijk gestimuleerd om de wereld af te reizen, een leuke tijd te hebben en prikkelende ervaringen op te doen, dient steeds weer op zoek te gaan naar vertier om bij dit alles steeds zijn eigen geluk na te jagen – want hij is het immers waard!

Surfend over het internet kan hij ieder moment van de dag wegdromen, de tastbare werkelijkheid ontvluchten en heeft hij vrijblijvend ‘beschermd’ contact op afstand, waarin hij nergens echt aan vastzit. Aldus breken de globalisering en de virtualisering van ons bestaan onze leefwereld open en betrekken zij ons in een dynamisch en vluchtig netwerk dat niet meer gebonden is aan een bepaalde plaats op aarde.

Vooral vanaf de jaren negentig lijken oude grenzen in sneltreinvaart te worden opgeheven. De grote ideologische tegenstellingen verdwenen, de grenzenloze markt werd omarmd, deregulering werd het toverwoord. Via internet konden we met mensen over de gehele wereld in verbinding treden. In Europa gingen de grenzen open en de basis voor de EU werd gelegd. Er kwam massa-immigratie en het ideaal van de multiculturele samenleving vierde hoogtij.

Deze beweging riep haar eigen tegenkrachten op. De sterke gerichtheid naar buiten en de ongeremde omarming van het vreemde, riepen de vraag op naar ‘onze eigenheid’ – waarvan we niet meer zo zeker waren. De opkomst van Fortuyn en het heftige islamdebat spreken boekdelen. De financieel-economische crisis die in 2008 tot uitbarsting kwam, drong evenwel de ophef over de islam naar de achtergrond.

Onteigening
Door de globalisering en virtualisering van de financiële wereld – in combinatie met een terugtredende overheid – bleek de dynamiek van het grenzenloze kapitaal te zijn ontaard in reusachtige bubbels van aandelen en derivaten. De oorzaak daarvan ligt niet alleen in het persoonlijk falen van mensen, maar is inherent aan het gedereguleerde kapitaalsysteem zelf, dat met al haar ‘afgeleide producten’ losgezongen raakte van werkelijke waardecreatie.

Zij is ook het gevolg van een algehele verandering in onze manier van denken en leven, waarin de betrokkenheid op een gemeenschappelijk goed is afgenomen, gedeelde waarden zijn geërodeerd en de enige objectieve waarde vooral de prijs van iets is: wat kost het en wat levert het op. Daarbij is ook sprake van een tendens tot meetbare uniformering van arbeidsprocessen in termen van geld, waarin van persoonlijke zin, betrokkenheid en aard van de samenwerking wordt afgezien. Dat is het proces van onteigening dat de laatste decennia zijn beslag heeft gekregen.

Tekenend is dat steeds vaker het thema van ‘eigenaarschap’ en de professionele ruimte van de vakman aan de orde worden gesteld. Het geeft uitdrukking aan de ervaring van bureaucratische onteigening en onvrijheid die zich in tal van organisaties voordoet – als een eigen kwaad waarvan mensen ongelukkig worden en dat organisaties in de war schopt.

De oorspronkelijke betekenis van het woord economie is ‘het op orde houden van je huis’ – wat nog doorklinkt in het oude woord staatshuishoudkunde. Wanneer het huis niet meer op orde is, raken mensen ontheemd. De beweging van onteigening en ontgrenzing loopt vast, omdat zij het aardgebonden karakter van het menselijk bestaan miskent. Aldus ontketent zij krachten waardoor mensen ontheemd raken: Ze raken hun huis kwijt, letterlijk zoals in de huizencrisis of in de zin dat ze zich niet meer thuis voelen in hun organisatie, stad of land.

Het verloop van de financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat de staat terug is als centrale speler in het economisch leven: De orde van de politiek is onmisbaar om het economische leven in goede banen te leiden. Daarin meldt zich meteen ook de noodzaak van een vertrouwen in, en verbondenheid met instituties. Dat is echter alleen maar mogelijk dankzij een gedeelde publieke ruimte, een gevoel lid te zijn van een gemeenschap en een vorm van binding met de locatie in de zin van land – met alle spanningen van dien, zoals we zien bij de euro. De solidariteit die nodig is om de onvermijdelijke pijn van de crisis te verdelen en te verdragen, komt mee met het lidmaatschap van een gemeenschap die ook ‘lotsverbondenheid’ schept – men deelt lusten én lasten! Wat al dient te beginnen bij de familie als gemeenschap, zet zich voort in allerlei verbanden, tot en met de natiestaat.

Daarmee is aangegeven dat vrijblijvende individuen niet de laatste grond kunnen vormen van onze sociale werkelijkheid. Er dient een ervaring van ‘lidmaatschap’ te bestaan, van saamhorigheid en lotsverbondenheid, waarin ook een ethische dimensie besloten ligt: de zorg voor medemensen. Het is ook precies dit gevoel van verwaarlozing of gebrek aan zorg dat de woede verklaart die onder een deel van het publiek leeft jegens bankiers en topmanagers die vooral gegraaid zouden hebben. Tegelijkertijd kunnen we waarnemen dat de tijd van winstgerichte vermarkting en individualistische consumptie voorbij is. Niet alleen omdat het geld ertoe ontbreekt, maar ook omdat de leegheid en het morele failliet ervan in toenemende mate bij velen weerzin oproepen.

Er beginnen zich ook op economisch en sociaal gebied nieuwe vormen van gemeenschap af te tekenen. Die moeten echter vormgegeven worden om te voorkomen dat ze een regressieve en primitieve gedaante aannemen.

Opmerkelijk genoeg zien wij ook motieven naar voren komen uit de ideologie van de jaren zestig, die onder invloed van het abstracte vrijheidsideaal en de globalisering op de achtergrond waren geraakt: De herwaardering van kleinschaligheid, de actieve betrokkenheid van werknemers bij hun organisatie of een andere omgang met het eigen lichaam en de natuur. In reactie op de crisis en de algehele ervaring van ontheemding zijn mensen momenteel op zoek om opnieuw hun wereld als een ‘huis’ vorm te geven. Men is dan niet simpelweg een consument meer die passief goederen of diensten tot zich neemt, maar veeleer een deelnemer aan een gemeenschappelijke economische activiteit.

Schep iets van waarde
We zien het in initiatieven zoals de broodfondsen voor kleine zelfstandigen, in wijkgerichte zorgcentra als antwoord op vergrijzing, maar ook het met elkaar delen van de auto of andere duurzame goederen. We zien het ook in relatie tot de natuur in de hernieuwde aandacht voor streekproducten in supermarkten en op menukaarten van restaurants of in buurtinitiatieven tot gezamenlijke duurzame energiewinning. Daarbij wordt natuurlijk ook gewoon ict gebruikt, maar nu juist ook om opnieuw dit huis samen met anderen vorm te kunnen geven.

Het onderscheid tussen consumenten en producenten zal vervagen en de economie zal meer op deelname en vereniging zijn gebaseerd. De desintegrerende orde van globalisering zal plaats maken voor meer integrale en lokale benaderingen, waarin ‘het huis’ weer belangrijker wordt. In deze integratiebeweging lijkt ook de natuur te worden betrokken. Duurzame projecten zullen er mede op gericht zijn een nieuwe stad-achterlandverhouding te scheppen, zodat ook voedsel- en energiewinning veel dichter bij de gebruikers plaats zal vinden dan momenteel.

Dat impliceert een herwaardering van de waardescheppende kant van de economie, die een correctie op outsourcing impliceert. Daarmee zullen echte creativiteit en vakmanschap weer belangrijker worden; iets wat zich al aankondigt in de discussie over de scheve verhouding tussen managers en professionals in veel organisaties. Daarmee kan van de crisis juist in haar destructieve manifestatie ook een bevrijdende werking uitgaan die nieuwe mogelijkheden opent. Nederland zou voorop kunnen gaan in het vormgeven van een economische orde die principieel anders van aard is; en heeft daartoe met zijn traditie van decentrale samenwerking en overleg goede papieren.

De politiek verkoopt ons vooralsnog uitstel van executie, terwijl de huidige orde gedoemd is ten onder te gaan. De banken in Nederland zijn de facto allemaal failliet, maar we laten ze aan het infuus liggen, omdat we de harde werkelijkheid van onze huizenbubbel niet onder ogen willen komen. Daardoor worden vanuit de instituties echt creatieve oplossingen nauwelijks aangedragen en zal de burger vooral zelf in beweging moeten komen. Ik noem hier toch even onze pensioenfondsen die in hun zucht naar rendement niet bereid zijn in Nederland zelf te investeren, maar liever in buitenlandse concurrenten. Ook hier geen enkel teken van echte lotsverbondenheid of een idee van een duurzaam gemeenschappelijk goed dat de generaties verbindt.

Maar alles wat hol en uitgewoond is, heeft zijn langste tijd gehad en moet plaatsmaken voor iets wat wel levensvatbaar is. Het worden spannende jaren, zorg dat je er klaar voor bent, verbind je en schep iets van waarde!